ECLI:NL:RBDHA:2026:11517

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
NL26.16589
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel van bewaring wegens voldoende geconcretiseerde vertrekwens vreemdeling

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling stelde dat hij voldeed aan de voorwaarden van artikel 59, derde lid, omdat hij bereid was mee te werken aan zijn vertrek, beschikte over een geldig paspoort en een vlucht geboekt had met hulp van de International Organisatie voor Migratie (IOM).

De rechtbank oordeelde dat de vertrekwens van de vreemdeling voldoende was geconcretiseerd en dat de maatregel van bewaring met ingang van 30 maart 2026 onrechtmatig was. De maatregel werd daarom per 2 april 2026 opgeheven. Tevens kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €480,- voor vier dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €1.868,-.

De rechtbank verwierp het verweer van de minister dat de vertrekwens ongeloofwaardig was vanwege risico op onttrekking, mede omdat de vreemdeling zijn paspoort niet verborgen hield en contact had gelegd met de IOM. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De maatregel van bewaring is opgeheven en een schadevergoeding toegekend wegens onrechtmatige vrijheidsontneming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16589

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Dam).

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. de Jong, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Abas. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Beoordeling van artikel 59, derde lid, van de Vw
1. Eiser betoogt, onder meer, dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 59, derde lid, van de Vw. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat hij bereid is om mee te werken aan zijn vertrek, dat hij een geldig paspoort tot zijn beschikking heeft, en dat voor hem, met de hulp van de International Organisatie voor Migratie (IOM), een vlucht is geboekt voor 8 april 2026. Eiser benadrukt in dat kader dat artikel 59, derde lid, van de Vw een dwingend karakter heeft, en dat hier geen ruimte bestaat voor een afweging van belangen.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 59, derde lid, van de Vw staat dat de bewaring van een vreemdeling achterwege blijft indien en wordt beëindigd zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat. De rechtbank is van oordeel dat nu eiser beschikt over een geldig paspoort en niet is betwist dat voor hem een vlucht staat gepland op 8 april 2026, eiser zijn vertrekwens voldoende heeft geconcretiseerd. In dit verband verwijst de rechtbank naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2045) en 14 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY7395). Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser in zijn standpunt dat artikel 59, derde lid, van de Vw in zijn geval van toepassing is. Het betoog van verweerder dat de vertrekwens van eiser, gelet op het risico op onttrekking, als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt, wordt niet gevolgd. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser nimmer heeft getracht de locatie van zijn paspoort te verbergen en evenmin heeft aangegeven niet uit eigen beweging te zullen vertrekken. Verder blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 26 maart 2026 dat eiser zijn vertrekwens kenbaar heeft gemaakt en contact heeft gelegd met de IOM. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiser kort na zijn inbewaringstelling, op 30 maart 2026, daadwerkelijk contact heeft opgenomen met de IOM ten behoeve van zijn vrijwillig vertrek. Onder deze omstandigheden had verweerder, vanaf het moment dat eiser in de gelegenheid was om zelfstandig te vertrekken, aanleiding moeten zien om de maatregel van bewaring op te heffen. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren. Nu het beroep slaagt, laat de rechtbank de overige door eiser aangevoerde gronden onbesproken.
Conclusie en gevolgen
2. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 30 maart 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 2 april 2026.
3. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 4 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 4 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 480,-.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 2 april 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 480,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.