ECLI:NL:RBDHA:2026:11517
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing maatregel van bewaring wegens voldoende geconcretiseerde vertrekwens vreemdeling
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling stelde dat hij voldeed aan de voorwaarden van artikel 59, derde lid, omdat hij bereid was mee te werken aan zijn vertrek, beschikte over een geldig paspoort en een vlucht geboekt had met hulp van de International Organisatie voor Migratie (IOM).
De rechtbank oordeelde dat de vertrekwens van de vreemdeling voldoende was geconcretiseerd en dat de maatregel van bewaring met ingang van 30 maart 2026 onrechtmatig was. De maatregel werd daarom per 2 april 2026 opgeheven. Tevens kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €480,- voor vier dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €1.868,-.
De rechtbank verwierp het verweer van de minister dat de vertrekwens ongeloofwaardig was vanwege risico op onttrekking, mede omdat de vreemdeling zijn paspoort niet verborgen hield en contact had gelegd met de IOM. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De maatregel van bewaring is opgeheven en een schadevergoeding toegekend wegens onrechtmatige vrijheidsontneming.