ECLI:NL:RBDHA:2026:11508

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
NL24.27465
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.P. Heijne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing mvv-aanvraag familie- en gezinsverblijf wegens ontbreken beschermingswaardig gezinsleven

Eiseressen, moeder en zus van de referent, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om als familie- of gezinslid bij hun zoon en broer in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat geen beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseressen en referent werd vastgesteld. De rechtbank toetste dit besluit.

De rechtbank oordeelde dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen tussen eiseressen en referent, waardoor geen beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestaat. Voor eiseres I werd wel beschermingswaardig gezinsleven met haar kleinkinderen aangenomen, maar de belangenafweging viel in haar nadeel uit.

De rechtbank verwierp de bezwaren tegen het niet aanbieden van DNA-onderzoek en concludeerde dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden voldoende had meegewogen. De belangenafweging hield rekening met de zorg en opvoeding door referent en zijn vrouw, de financiële situatie en de binding van eiseres I met Afghanistan. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de mvv-aanvraag bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27465

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres I] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres I

en
[naam eiseres II], V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres II
samen te noemen: eiseressen
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder
(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor eiseressen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij hun zoon respectievelijk broer (referent) en zijn gezin in Nederland. Verweerder wijst de aanvraag kort gezegd af omdat geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseressen en referent. Tussen eiseres I en de minderjarige kinderen van referent is wel sprake van beschermingswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM [2] , maar verweerder heeft de belangenafweging in het nadeel van eiseres I uit laten vallen. Eiseressen zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseressen beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat (i) geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseressen en referent; en (ii) voor zover sprake is van beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseres I en de minderjarige kinderen van referent, verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiseres I heeft kunnen laten uitvallen. Eiseressen krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Referent heeft voor eiseressen een aanvraag ingediend voor een mvv in Nederland met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 8 december 2022 afgewezen. Eiseressen hebben bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 7 juni 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseressen, [persoon A] als referent, S. Walli als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseressen bezitten de Afghaanse nationaliteit en wensen verblijf als familie- of gezinslid bij referent en zijn gezin in Nederland. Eiseres I is de moeder van referent en eiseres II is zijn meerderjarige zus. Referent is sinds 2021 in Nederland en in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zijn vrouw en drie minderjarige kinderen (geboren in 2016, 2020 en 2022) zijn sinds 2023 in Nederland en hebben een afgeleide verblijfsvergunning asiel. Eiseres I heeft van 2015 tot het vertrek van referent en zijn gezin naar Nederland bij haar zoon (referent), schoondochter en kleinkinderen gewoond. Voor eiseres II geldt dat vanaf 2018/2019. Eiseressen verbleven ten tijde van het bestreden besluit in Afghanistan.
3.1.
Op 1 april 2022 heeft referent voor eiseressen een mvv aangevraagd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Met het besluit van 8 december 2022 is de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 juni 2024 is verweerder bij die afwijzing gebleven. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de familierechtelijke relatie tussen eiseressen en referent niet is aangetoond, voor eiseressen en referent geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven, en voor het beschermingswaardige gezinsleven van eiseres I met de minderjarige kinderen van referent, de belangenafweging in het nadeel van eiseres I is uitgevallen.
Toetsingskader
4. Artikel 8 van Pro het EVRM beschermt het recht op eerbieding van het familie- en gezinsleven. Een vreemdeling kan met een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM verweerder verzoeken om tot Nederland te worden toegelaten en een verblijfsvergunning te verlenen om de vreemdeling in staat te stellen familie- en gezinsleven uit te oefenen met een in Nederland verblijvend familielid. Daartoe moet eerst worden vastgesteld of sprake is van beschermingswaardig gezinsleven.
Had verweerder DNA-onderzoek moeten aanbieden?
5. Eiseressen stellen dat verweerder in het kader van het vaststellen van de familierechtelijke relatie ten onrechte geen DNA-onderzoek heeft aangeboden ondanks dat verweerder vaststelt dat een begin van bewijs is geleverd en een integrale beoordeling van de stukken is gemaakt. In beroep geven eiseressen aan dat niet alle originele documenten zomaar kunnen worden overlegd omdat eiseressen in Iran verblijven en communicatie wordt bemoeilijkt.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit feitelijk is uitgegaan van het bestaan van familierechtelijke banden tussen eiseressen en referent en zijn kinderen. Ondanks dat verweerder stelt dat de familierechtelijke banden (nog) niet zijn aangetoond, is er wel een begin van bewijs. Verweerder heeft dat mede gebaseerd op de namens eiseressen overlegde (deels originele) documenten, waaronder Afghaanse identiteitskaarten, een familieverklaring die ziet op eiseressen en referent en een geboorteregistratiebewijs van eiseres II. In dat kader heeft verweerder beoordeeld of sprake is van beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseressen en referent en een belangenafweging gemaakt in verband met het (veronderstelde) beschermingswaardige gezinsleven tussen eiseres I en de kinderen van referent, haar kleinkinderen. Omdat verweerder de aanwezigheid van beschermingswaardig gezinsleven wel heeft beoordeeld en voor eiseres I een belangenafweging heeft gemaakt, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder nog nader DNA-onderzoek had moeten doen om de familierechtelijke banden aan te tonen. De uitkomst daarvan zou namelijk niet van invloed zijn op de beoordeling van de aanvraag omdat eiseressen niet voldoen aan de overige voorwaarden dan wel dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres I uitvalt. Dit wordt uitgelegd in onderstaande overwegingen.
Bestaat er beschermingswaardig familieleven tussen eiseressen en referent?
6. Uit rechtspraak [3] volgt dat bij relaties tussen meerderjarige familieleden (bijvoorbeeld bij broers en zussen of ouders en hun meerderjarige kinderen) voor het aannemen van beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [4] sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen (
“further elements of dependency involving more than normal emotional ties”). Daarbij moet worden gekeken naar verschillende elementen, waaronder of de gezinsleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden en de banden met het land van herkomst. Het betreft een beoordeling van feitelijke aard. Verweerder moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen bestaan. De bestuursrechter moet vervolgens het onderzoek van verweerder naar de door de vreemdeling aangedragen relevante feiten en omstandigheden en de gegeven motivering over of er gezinsleven bestaat, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend. [5]
6.1.
In dit verband merkt de rechtbank op dat verweerder in het bestreden besluit nog is uitgegaan van de oude terminologie en verwijst naar de meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (
“more than normal emotional ties”). Ook eiseressen hanteren nog deze terminologie. Inmiddels wordt uitgegaan van de bijkomende elementen van afhankelijkheid (BEVA) die de meer dan gebruikelijke emotionele banden overstijgen, overeenkomstig het toetsingskader zoals hiervoor is weergegeven. Voor de vraag of sprake is van beschermingswaardig gezinsleven, worden de feiten en omstandigheden op dezelfde wijze beoordeeld. De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de nieuwe terminologie.
Eiseres I / moeder van referent
6.2.
Eiseres I stelt dat verweerder bij de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat referent (naar Afghaans recht) haar wettelijk vertegenwoordiger is en zij referent nodig heeft om in het dagelijks verkeer te functioneren. Om die reden was eiseres I ook genoodzaakt uit te wijken naar Iran.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op grond waarvan tussen eiseres I en referent beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM moet worden aangenomen. Verweerder heeft alle door eiseres I naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, ook in samenhang bezien, bij de beoordeling betrokken. Verweerder heeft het standpunt dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid in het bestreden besluit uitvoerig en voldoende gemotiveerd. Daarbij heeft verweerder in het voordeel van eiseres I onder andere betrokken dat eiseres I en referent gedurende een langere periode hebben samengewoond en ook een hechte band hebben. Dat is op zichzelf niet voldoende om te spreken van een bijkomend element van afhankelijkheid. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het leven voor vrouwen in Afghanistan niet gemakkelijk is, heeft verweerder betekenis kunnen hechten aan het feit dat eiseres I ook zonder aanwezigheid van referent ten tijde van het bestreden besluit in staat was zelfstandig te functioneren. Hierover heeft referent tijdens de hoorzitting in bezwaar verklaard dat eiseres I voor zichzelf kon zorgen en boodschappen kon doen. Dat referent naar Afghaans recht wettelijk vertegenwoordiger is van eiseres I doet daaraan niet af, nu referent al sinds 2021 in Nederland verblijft en eiseres I zich heeft weten te handhaven. Dat de situatie nadien is verslechterd, is geen omstandigheid die de rechtbank in haar beoordeling kan meenemen. Voor zover referent eiseres I financieel ondersteunt, leidt dat niet tot een andere conclusie, omdat eiseres I deze financiële steun kan blijven ontvangen ook als zij niet in Nederland woont. Omdat eiseres I ten tijde van het bestreden besluit verder geen gezondheidsklachten had, verbleef bij een verre verwant en binnen de algemene beperkingen die in Afghanistan voor vrouwen gelden kon functioneren, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich bij de weging van voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hieruit geen bijkomende elementen van afhankelijkheid volgen en dus geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseres I en referent.
6.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Eiseres II / meerderjarige zus van referent
6.5.
Eiseres II stelt dat verweerder bij de beoordeling of in haar situatie sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen, heeft nagelaten haar handicap (eiseres II is doofstom) te beoordelen aan de hand van de situatie in Afghanistan. Eiseres II stelt dat zij al is aangevallen door de taliban en het zeer ongebruikelijk is zonder mannelijke begeleiding te leven.
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op grond waarvan tussen eiseres II en referent beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM moet worden aangenomen. Verweerder heeft alle door eiseres II naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, ook in samenhang bezien, bij de beoordeling betrokken. Verweerder heeft het standpunt dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid in het bestreden besluit uitvoerig en voldoende gemotiveerd. Daarbij heeft verweerder onder andere betrokken dat tussen eiseres II en referent een band bestaat omdat zij enige tijd hebben samengewoond en omdat referent eiseres II financieel steunt. Verweerder heeft daarentegen ook kunnen betrekken dat eiseres II (samen met eiseres I) ten tijde van het bestreden besluit bij verwanten verblijft, die hen kunnen helpen en ondersteunen. Verweerder heeft verder kunnen betrekken dat referent heeft verklaard dat eiseres II ondanks haar handicap en een aanval van de taliban [6] in staat is om de gebruikelijke dagelijkse activiteiten zelf te doen. Zo heeft eiseres II een certificaat gehaald en gewerkt als assistent op een school. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de medische aandoening van eiseres II niet dat er in dit geval bijzondere zorg of ondersteuning nodig is. Eiseres II heeft dit ook niet aannemelijk gemaakt. [7] Daar komt bij dat het enkele feit dat referent eiseres II financieel ondersteunt onvoldoende is om bijkomende elementen van afhankelijk aan te nemen. De financiële ondersteuning kan referent ook op afstand voortzetten zoals hij de afgelopen jaren heeft gedaan. [8] In het verlengde daarvan heeft verweerder ook gemotiveerd gesteld dat eiseres II ondanks de afwezigheid van referent, niet wordt belemmerd in haar dagelijkse functioneren, binnen de algemene beperkingen die in Afghanistan voor vrouwen gelden. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich bij de weging van die feiten en omstandigheden in onderling verband niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hieruit geen bijkomende elementen van afhankelijkheid volgen en dus geen sprake is van gezinsleven tussen eiseres II en referent.
6.7.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt de gezondheidssituatie van referent tot een bijkomend element van afhankelijkheid ten aanzien van eiseressen?
6.8.
Referent stelt dat zijn gezondheidssituatie maakt dat sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid, omdat de klachten voortkomen uit het feit dat hij gescheiden moet leven van eiseressen. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft referent verklaard dat hij is geopereerd aan een cataract (staar), zijn pols/arm heeft gebroken en last heeft van hoofdpijn. Uit de verklaring van de huisarts volgt dat hij last heeft van stressklachten. Referent is voor zijn klachten verwezen naar een neuroloog, oogarts en psycholoog.
6.9.
De rechtbank begrijpt dat referent stressklachten ervaart als gevolg van het gescheiden leven van zijn moeder en zus. Verweerder heeft zich daarover op het standpunt kunnen stellen dat die klachten geen bijkomend element van afhankelijkheid vormen. De huisarts heeft referent voor zijn klachten doorverwezen naar specialisten, waaruit verweerder reeds heeft kunnen afleiden dat de klachten met behandeling kunnen afnemen.
6.10.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het niet aannemen van gezinsleven in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
6.11.
Verder stellen eiseressen dat het standpunt van verweerder dat geen gezinsleven bestaat tussen eiseressen en referent in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
6.12.
De rechtbank overweegt dat eiseressen in het beroepschrift hebben nagelaten te onderbouwen op welke wijze het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in dat verband alle feiten en omstandigheden die eiseressen hebben aangevoerd heeft meegewogen. Het is de rechtbank niet gebleken dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Hetgeen referent in dit kader nog ter zitting heeft aangevoerd over de inburgeringsverplichting en de gestelde onmogelijkheid om daarnaast te werken, speelt in dit kader geen rol, maar is onderdeel van de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM (zie verder hieronder).
6.13.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de afwijzing van de aanvraag van eiseres I in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM?
7. Tussen partijen is niet in geschil dat door het langdurig samenwonen sprake is van hechte persoonlijke banden (
“personal close ties”) tussen eiseres I en haar kleinkinderen (de kinderen van referent). Daarmee is sprake van beschermingswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. In die situatie is verweerder verplicht een belangenafweging te maken tussen de belangen van de Nederlandse staat enerzijds en de belangen van eiseres I en de kinderen van referent anderzijds. De rechtbank toetst zonder terughoudendheid of de staatssecretaris alle feiten en omstandigheden kenbaar bij zijn belangenafweging heeft betrokken. De uitkomst van de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging moet de bestuursrechter enigszins terughoudend toetsen. [9]
7.1.
Eiseres I stelt dat verweerder in de belangenafweging ten aanzien van het middelenvereiste heeft miskend dat het voor referent haast niet mogelijk is een volledige betaalde baan te hebben. Het feit dat hij een uitkering heeft, mag eiseres I daarom niet worden tegengeworpen in de belangenafweging. Ook stelt eiseres I dat verweerder haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiseres I door de Nederlandse staat gefinancierde huisvesting nodig heeft. Referent beschikt wel degelijk over geschikte huisvesting omdat zijn woning drie slaapkamers heeft. De drie kinderen van referent kunnen op één slaapkamer slapen.
7.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres I uitvalt. Daarbij stelt de rechtbank vast dat alle feiten en omstandigheden die door eiseres I zijn aangedragen, ook in onderling samenhang bezien, bij de belangenafweging zijn meegenomen. Hoewel de aanwezigheid van beschermingswaardig gezinsleven zwaar in het voordeel van eiseres I is meegewogen, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat aan het gezinsleven tussen grootouders en kleinkinderen een andere betekenis toekomt dan tussen ouders en hun kinderen. [10] Daarbij heeft verweerder kunnen wijzen op het feit dat de kinderen weliswaar het grootste gedeelte van hun leven met eiseres I hebben gewoond, maar dat de zorg en opvoeding altijd door referent en zijn vrouw zijn uitgevoerd en de rol van eiseres I sinds het vertrek van het gezin naar Nederland in 2023 weer kleiner is geworden. Daarbij heeft verweerder betekenis kunnen hechten aan het feit dat de kinderen van referent altijd afhankelijk zijn geweest van hun moeder en niet van eiseres I zodat het belang van de kinderen van referent om met hun ouders in Nederland te wonen groter is dan het belang om met eiseres I te worden herenigd. Omdat er regelmatig contact is tussen eiseres I en referent, kunnen ook de kinderen van referent contact onderhouden met eiseres I en heeft verweerder kunnen menen dat voornoemde omstandigheden niet doorslaggevend in het voordeel van eiseres I wegen. Verweerder heeft het economisch belang van Nederland verder in het nadeel van eiseres I kunnen meewegen. Daarbij heeft verweerder gewezen op het gebrek bij referent en zijn vrouw aan een zelfstandig en voldoende inkomen uit arbeid om te voorzien in het levensonderhoud van eiseres I en het feit dat eiseres I van publieke voorzieningen gebruik zal gaan maken. Dat eiseres I de kinderen van referent kan verzorgen zodat referent en zijn vrouw kunnen werken, heeft verweerder niet in het voordeel van eiseres I hoeven wegen omdat de kinderen ook op een andere manier opgevangen kunnen worden. In het nadeel van eiseres I heeft verder kunnen wegen het feit dat eiseres I haar hele leven in Afghanistan heeft gewoond en daarmee een grote binding heeft. Zij kent de cultuur en spreekt de taal. Bovendien woonde zij ten tijde van het bestreden besluit met eiseres II bij verwanten en kon zij – binnen de algemene beperkingen die in Afghanistan voor alle vrouwen gelden – zelfstandig naar buiten en voor zichzelf zorgen. In het nadeel van eiseres I heeft verweerder verder kunnen wegen dat zij – anders dan referent en zijn gezin – geen binding heeft met Nederland. De rechtbank volgt eiseres I wel in haar stelling dat verweerder ten onrechte heeft gevonden dat de woning van referent te klein was om eiseres I op te vangen, omdat het gaat om een eengezinswoning met drie slaapkamers, twee badkamers en een zolder. Daarmee zal eiseres I dus geen eigen woning nodig hebben. Dit is echter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in het kader van de belangenafweging onvoldoende om de belangenafweging alsnog in het voordeel van eiseres te laten uitvallen. De rechtbank begrijpt – zoals hiervoor ook al is aangegeven – dat eiseres I liever bij referent en zijn gezin woont, maar daaruit volgt geen verplichting voor Nederland om een mvv (en vervolgens een verblijfsvergunning) te verlenen. De slotsom is dan ook dat verweerder de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen en de afwijzing van de aanvraag voor een mvv voor eiseressen in stand blijft. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1188), onder 3 en 5.2.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5.Zie de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling onder 5.3.
6.Eisers II is een keer in elkaar geslagen en meegenomen door de taliban, omdat zij niet wisten dat eiseres II doofstom is en daarom dachten dat zij niet luisterde.
7.Zie de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 november 2024 (ECLI:CE:ECHR:2024:1119DEC004405120;
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3275), onder 6.12.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1187).
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1187).