ECLI:NL:RBDHA:2026:11477
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvragen wegens verantwoordelijkheid Duitsland bevestigd
Eiseressen dienden op 19 oktober 2025 asielaanvragen in die de minister op 17 maart 2026 niet in behandeling nam omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank behandelde de beroepen en voorlopige voorzieningen op 30 april 2026.
Eiseressen voerden aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand kwam door mogelijk gebruik van AI of Case Matcher en dat onvoldoende transparantie bestond over de betrokken ambtenaren. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende concrete aanwijzingen waren voor onzorgvuldigheid en dat de minister aannemelijk had gemaakt dat geen AI werd gebruikt en dat bevoegde ambtenaren betrokken waren.
Verder betoogden eiseressen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op Duitsland vanwege risico's op indirect refoulement en onvoldoende rechtsbescherming. De rechtbank volgde dit niet, verwijzend naar eerdere uitspraken en het claimakkoord met Duitsland.
Ten slotte stelden eiseressen dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden vanwege eerdere inhumane omstandigheden in Italië, erkenning door UNHCR en familiebanden in Nederland. De rechtbank vond deze omstandigheden onvoldoende om toepassing van artikel 17 te Pro rechtvaardigen.
De beroepen werden ongegrond verklaard en eiseressen kregen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen wegens verantwoordelijkheid van Duitsland worden ongegrond verklaard.