ECLI:NL:RBDHA:2026:11449
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens onrechtmatige voortzetting bewaring vreemdeling
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, werd op 15 december 2025 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen het voortduren van deze maatregel stelde hij beroep in en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de bewaring vanaf 16 maart 2026, het moment van sluiting van het eerdere onderzoek, en concludeerde dat de bewaring tot dat moment rechtmatig was.
De kern van het geschil betrof de vraag of de bewaring vanaf een eerder moment dan 7 mei 2026 had moeten worden opgeheven. De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld na de afwijzing van de lp-aanvraag door de Algerijnse autoriteiten op 18 april 2026. Zo werd het vertrekgesprek met eiser pas op 29 april 2026 gevoerd, terwijl dit al op 23 april gepland was, en werd niet tijdig een aanvullend identiteitsonderzoek aangevraagd.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf 23 april 2026 onrechtmatig voortduurde vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en onvoldoende voortvarendheid van verweerder. Daarom werd de Staat veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €2.400,- voor 15 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en tot vergoeding van de proceskosten van €934,-.
Uitkomst: De bewaring van eiser was vanaf 23 april 2026 onrechtmatig voortgezet en de Staat is veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.