Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11440

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL25.30984
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag Syriër wegens onvolledige beoordeling

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende in juni 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder wees deze aanvraag in oktober 2025 af, waarbij onder meer werd geoordeeld dat er geen gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade bestond. De rechtbank oordeelt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door te beslissen op basis van een gehoor dat plaatsvond vóór de val van het regime Assad, waardoor de veranderde situatie in Syrië en de actuele persoonlijke omstandigheden van eiser onvoldoende zijn onderzocht.

De rechtbank stelt vast dat verweerder onvoldoende de meest actuele informatie over de humanitaire situatie in Syrië heeft betrokken bij de beoordeling van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 EVRM Pro. Ook is niet adequaat gemotiveerd waarom de humanitaire omstandigheden niet worden veroorzaakt door strijdende partijen. Daarnaast is verweerder tekortgeschoten in het horen van eiser over zijn individuele risicoverhogende omstandigheden.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk geworden omdat verweerder inmiddels heeft beslist, maar eiser wordt wel in de proceskosten van dit onderdeel toegewezen. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond verklaard, het besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30984

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

[V-nummer],
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn asielaanvraag en tegen het alsnog genomen besluit waarin verweerder zijn asielaanvraag heeft afgewezen.
1.1.
Eiser heeft op 28 juni 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 11 juli 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
1.2.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 eisers aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Omdat eiser zich niet kan verenigen met het genomen besluit, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook gericht tegen dit besluit. [1]
1.3.
Op 13 april 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen M. Suleman.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Syrië in 2017 heeft verlaten vanwege de oorlog en omdat hij niet in militaire dienstplicht wil. Eiser heeft verder verklaard dat hij in de negatieve aandacht stond van de autoriteiten in Syrië, omdat hij al vanaf jonge leeftijd betrokken was bij protesten en burgers hielp die slachtoffer werden van geweld. Ten slotte heeft eiser verklaard dat hij Syrië illegaal is uitgereisd.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit vier asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. vrees vanwege de algemene situatie in Syrië;
3. vrees voor de militaire dienstplicht;
4. vrees om problemen te krijgen omdat eiser uit voormalig oppositiegebied komt en destijds illegaal is uitgereisd.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De overige asielmotieven heeft verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser vanwege de militaire dienst te vrezen heeft voor vervolging, omdat er sinds de val van Assad geen sprake meer is van verplichte militaire dienst. Ook heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen indicaties zijn dat dat eiser problemen zal krijgen vanwege zijn afkomst uit voormalig oppositiegebied en zijn illegale uitreis uit Syrië.
3.2.
Verder heeft verweerder geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees heeft vanwege de algemene situatie in Syrië. Eiser loopt geen reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. [2] Uit het beleid [3] van verweerder volgt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en uit het algemeen ambtsbericht van mei 2025 blijkt een redelijke verbetering van de algemene situatie. Er is minder willekeurig geweld en het geweld wat er is, is sterk gelokaliseerd. Het herkomstgebied van eiser is bovendien onder controle van de overgangsregering. Ook blijkt dat er sprake is van veel terugkeer naar Syrië en verloopt die terugkeer probleemloos. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft geen risico verhogende individuele omstandigheden aangevoerd. Verweerder heeft er ten slotte op gewezen dat uit het beleid ook volgt dat er geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. [4]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert aan dat verweerder ten onrechte niet al zijn asielmotieven op geloofwaardigheid heeft beoordeeld. Eiser voert ook aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat zijn nader gehoor heeft plaatsgevonden voor de val van het regime Assad. Sindsdien is de situatie in Syrië veranderd. Eiser is niet opnieuw gehoord en daardoor zijn niet al zijn asielmotieven bevraagd en beoordeeld, waaronder zijn (toegedichte) politieke opinie.
4.1.
Ook voert eiser aan dat de 15c-beoordeling die verweerder heeft verricht niet volledig is. Verweerder is onvoldoende ingegaan op hetgeen eiser naar voren heeft gebracht in de zienswijze over de situatie in Syrië. Ook had verweerder eiser moeten vragen over of er persoonlijke omstandigheden zijn waardoor hij een hoger risico loopt op willekeurig geweld. Eiser benoemt in dit kader onder meer dat hij eerder in de negatieve aandacht heeft gestaan, zich nooit heeft aangesloten bij de oppositie, afkomstig is uit Homs en vanwege zijn terugkeer vanuit het buitenland zal opvallen. Eiser heeft er ten slotte op gewezen dat de humanitaire omstandigheden in Syrië betrokken hadden moeten worden in de 15c-beoordeling.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Beroep niet tijdig beslissen
6. Omdat het beroep oorspronkelijk gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven.
6.1.
Eiser heeft verweerder met de brief van 23 juni 2025 in gebreke gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 11 juli 2025 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 16 oktober 2025 heeft verweerder alsnog op eisers aanvraag beslist. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen.
6.2.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op eisers asielaanvraag is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen.
Had verweerder de geloofwaardigheid van de asielmotieven van eiser moeten beoordelen?
7. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft beoordeeld of de asielmotieven van eiser geloofwaardig zijn. Verweerder heeft wel beoordeeld of deze motieven leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade. Wanneer verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden laat, moet het er bij de rechterlijke toetsing voor gehouden worden dat verweerder de geloofwaardigheid van de gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Zo lang verweerder alle verklaringen van eiser over zijn asielmotieven als uitgangspunt neemt, leidt deze werkwijze [5] in algemene zin niet tot een onzorgvuldige beoordeling van het asielrelaas. [6] De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder heeft kunnen concluderen dat het asielrelaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is om een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
Mocht verweerder beslissen op de aanvraag van eiser zonder hem (aanvullend) te horen ná de val van Assad?
8. Het nader gehoor van eiser heeft plaatsgevonden op 20 november 2024, vóór de val van het regime Assad en de machtsovername in Syrië. Eiser heeft in zijn zienswijze verzocht om aanvullend gehoord te worden, nu hij niet is bevraagd over zijn asielmotieven ten aanzien van de veranderde situatie in Syrië. Eiser heeft daarbij ook aangevoerd dat hij in een aanvullend gehoor gevraagd kan worden naar zijn persoonlijke omstandigheden – die voor de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie en het risico op willekeurig geweld relevant kunnen zijn. Eiser heeft daarbij een aantal omstandigheden kort benoemd.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet op basis van het in november 2024 afgenomen gehoor had mogen beslissen op de aanvraag van eiser. Verweerder had in de veranderde situatie in Syrië en in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht in zijn zienswijze aanknopingspunten moeten zien om eiser opnieuw te horen. Nu dat niet is gebeurd, heeft verweerder een besluit genomen zonder de asielmotieven van eiser volledig te hebben onderzocht. Ook is vanwege het uitblijven van een aanvullend gehoor niet voldoende onderzoek gedaan naar de (actuele) persoonlijke omstandigheden van eiser. Verweerder heeft informatie over die omstandigheden nodig om een volledige beoordeling te kunnen maken van de vraag of eiser een reëel risico loopt op ernstige schade. [7] Dat eiser de gelegenheid heeft gehad om bij zijn zienswijze en in de gronden van beroep het nodige aan te voeren, doet hier niet aan af. Verweerder is immers gehouden eerst een gedegen onderzoek te doen door eiser te bevragen aan de hand van bij verweerder bekende actuele landeninformatie. Er is daarom sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
8.2.
Ter zitting heeft verweerder gesteld dat er geen sprake is van nieuwe asielmotieven en dat eiser in beroep enkel asielmotieven en persoonlijke omstandigheden herhaalt die hij ook in het nader gehoor naar voren heeft gebracht. De rechtbank kan verweerder niet volgen in dit standpunt zonder dat er nader onderzoek is gedaan naar de asielmotieven en persoonlijke omstandigheden van eiser.
8.3.
Nu er sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek, komt het bestreden besluit al om deze reden in aanmerking voor vernietiging. De rechtbank ziet – in het kader van finale geschilbeslechting – aanleiding om ook de overige beroepsgronden te bespreken, nu deze gronden ook raken aan de nieuwe beoordeling die verweerder zal moeten gaan maken.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië?
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, [8] nu de in het besluit verrichte ‘15-c beoordeling’ niet volledig is. Verweerder heeft namelijk bij deze beoordeling nagelaten om de individuele omstandigheden van eiser en de meest actuele informatie over de humanitaire omstandigheden in Syrië te betrekken. [9]
9.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit op basis van zijn beleid aangenomen dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gebaseerd op informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025. In het verweerschrift heeft verweerder ook gewezen op informatie over geweldsincidenten uit het ambtsbericht van januari 2026 en op cijfers over burgerslachtoffers tot en met eind maart 2026. Ten slotte heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de humanitaire situatie in Syrië niet of nauwelijks te wijten is aan een actor die partij is bij een lopend gewapend conflict, maar juist het gevolg is van jarenlange oorlog, internationale sancties en het regime Assad. Verweerder heeft erop gewezen dat de humanitaire situatie globaal moet worden meegewogen in de ‘15c-beoordeling’ als dit een direct of indirect gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een actief gewapend conflict. Daarvan is volgens verweerder geen sprake en daarom spelen de humanitaire omstandigheden geen rol in de 15c-beoordeling. Verweerder heeft daarbij gewezen op het ambtsbericht uit 2025 en op een passage uit een rapport van UK Home Office van juli 2025, waarin staat dat
“the general humanitarian situation in Syria is not so severe that there are substantial grounds for believing that there is a real risk of serious harm”. [10]
9.2.
Ten aanzien van het betrekken van de humanitaire omstandigheden in de ‘15c-beoordeling’ overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. Maar, mede gelet op de volatiele situatie in Syrië had verweerder de huidige humanitaire omstandigheden in Syrië moeten beoordelen aan de hand van actuele bronnen en kon verweerder niet volstaan met de verwijzingen naar (verouderde) informatie uit mei en juli 2025. [11] De rechtbank overweegt daarbij ook dat verweerder niet heeft mogen volstaan met een enkele algemene verwijzing naar het algemeen ambtsbericht en de (verder niet gespecificeerde) beoordeling van de humanitaire omstandigheden door de UK Home Office. Met deze algemene verwijzingen kan de rechtbank namelijk niet nagaan welke humanitaire omstandigheden verweerder heeft betrokken en op basis van welke informatie verweerder tot de conclusie is gekomen dat de omstandigheden niet worden veroorzaakt of in stand gelaten door partijen die actief zijn bij een gewapend conflict. Ook de enkele stelling in het verweerschrift dat de situatie in Homs niet is verslechterd ten opzichte van de aangehaalde bronnen, is niet onderbouwd en is daarmee onvoldoende om te kunnen oordelen dat verweerder op basis van actuele informatie heeft geconcludeerd dat de humanitaire omstandigheden niet worden veroorzaakt of in stand gelaten door strijdende partijen.
9.3.
Ten aanzien van het betrekken van de individuele omstandigheden van eiser in de ‘15c-beoordeling’ overweegt de rechtbank als volgt. Het standpunt van verweerder dat eiser geen individuele risico verhogende omstandigheden naar voren heeft gebracht, is niet houdbaar. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat verweerder, door eiser niet aanvullend te horen ná de val van Assad, onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van (actuele) persoonlijke omstandigheden die relevant kunnen zijn in de 15c-beoordeling. De beroepsgrond slaagt.
Artikel 3 van Pro het EVRM
10. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
10.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. [12] Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van Pro het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. [13]
10.2.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi [14] twee situaties onderscheidt:
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor het aannemen van een reëel risico op ernstige schade hoger.
10.3.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en ter zitting op het standpunt gesteld dat van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM geen sprake is, nu niet wordt voldaan aan de hogere lat van
"very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling". Verweerder heeft daarbij wederom gewezen op de passage uit het rapport van UK Home Office. Volgens verweerder heeft eiser ook geen individuele omstandigheden aangevoerd waarmee de hoge lat wordt gehaald. In het verweerschrift heeft verweerder er verder op gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. [15]
10.4.
De rechtbank is ten eerste van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘
ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ [16] Verweerder heeft, in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM, niet gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen.
10.5.
Ten tweede heeft verweerder, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, onvoldoende gemotiveerd dat hieraan niet wordt voldaan. Verweerder heeft namelijk onvoldoende actuele informatie over de humanitaire omstandigheden in Syrië betrokken bij de beoordeling. Verweerder heeft in zijn motivering gewezen op een hoger beroepsschrift uit december 2025 en op het rapport van UK Home Office uit juli 2025. Daarbij heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt op welke verslagperiode dat laatste rapport ziet en op basis van welke informatie tot de conclusies in het rapport wordt gekomen. Ook ter zitting heeft verweerder niet kunnen toelichten waarom er geen actuelere informatie bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank is verder (ook in dit kader) van oordeel dat verweerder de individuele omstandigheden van eiser onvoldoende heeft onderzocht en betrokken. De rechtbank verwijst daarbij naar haar oordeel in 8.2. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij onder meer had willen verklaren over dat hij geen netwerk meer heeft in Syrië en dat hij geen woning heeft om naar terug te keren. Verweerder had eiser daarover moeten bevragen.
10.6.
De rechtbank overweegt ten slotte dat de enkele verwijzing naar het opheffen van de voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man door het EHRM, onvoldoende invulling is van de toets aan artikel 3 EVRM Pro. Het EHRM heeft de voorziening opgeheven omdat niet is aangetoond dat de Syrische man, gelet op de huidige veiligheidssituatie in Syrië en de individuele omstandigheden van de zaak, bij terugkeer naar Syrië een reëel en onmiddellijk risico zou lopen op onherstelbare schending van zijn rechten zoals gewaarborgd door de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Het EHRM heeft echter niet nader gemotiveerd waarom het in die zaak tot dit oordeel is gekomen en welke individuele omstandigheden er speelden. Verweerder moet zelf een individuele beoordeling maken van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen.
12. Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen het alsnog genomen besluit. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13. Omdat verweerder te laat heeft beslist en omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,-. [17]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 26 januari 2026;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
2.Zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) (hierna: Kwalificatierichtlijn).
3.Zie paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5.Zoals beschreven in Informatiebericht 2022/102 (Afdelingsuitspraken inzake de pilot afdoen op zwaarwegendheid).
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333.
7.Zowel voor de ‘15c-beoordeling’ als voor de toets aan artikel 3 van Pro het EVRM.
8.Zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
9.De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.
10.UK Home Office, Country and policy information note: humanitarian situation Syria, juli 2025.
11.Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.
13.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (
14.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (
15.Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394/25).
16.Arrest Sufi en Elmi, punt 283.
17.1 punt voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig beslissen met een waarde per punt van