Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 24 maart 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister moest binnen zes maanden beslissen, maar verlengde aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden onder een beleidsbesluit dat later werd ingetrokken, waardoor de beslistermijn weer zes maanden bedroeg. Vanwege het besluitmoratorium voor Syrië gold een maximale beslistermijn van 21 maanden.
Eiser stelde de minister op 7 oktober 2025 schriftelijk in gebreke en diende op 4 december 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en eiser niet tijdig werd gehoord over zijn asielmotieven.
De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn van acht weken op om alsnog een besluit te nemen en verbindt daaraan een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten van € 467,- aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier M.H.G.P. Tober op 8 januari 2026.