De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot wijziging van de omgangsregeling tussen de moeder en haar minderjarige kind, die verblijft in een pleeggezin onder voogdij van de GI. De huidige omgangsregeling, vastgesteld op eens per vier weken, wordt niet nageleefd doordat de moeder regelmatig de contactmomenten afzegt vanwege medische klachten en stress door treiterijen.
De moeder en pleegouders zijn niet verschenen bij de zitting, maar de GI heeft haar verzoek toegelicht. De rechtbank constateert dat sinds april 2025 geen omgang meer heeft plaatsgevonden en dat het kind geen teleurstelling ervaart bij het afzeggen, maar wel tijd vrijhoudt voor de bezoeken. De GI heeft haar verzoek aangepast van eens per twee maanden naar eens per drie maanden na overleg met de moeder.
De rechtbank oordeelt dat het belang van het kind is dat contact met de moeder blijft bestaan, maar binnen een haalbare regeling. Daarom wordt de omgangsregeling gewijzigd naar eens per drie maanden en wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De optie om geen omgangsregeling vast te stellen en de GI volledig de regie te geven, wordt afgewezen omdat dit tot contactbreuk kan leiden.