Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11391

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/09/689116
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:262b BWArt. 1:377a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging omgangsregeling minderjarige naar eens per drie maanden wegens onhaalbaarheid huidige regeling

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot wijziging van de omgangsregeling tussen de moeder en haar minderjarige kind, die verblijft in een pleeggezin onder voogdij van de GI. De huidige omgangsregeling, vastgesteld op eens per vier weken, wordt niet nageleefd doordat de moeder regelmatig de contactmomenten afzegt vanwege medische klachten en stress door treiterijen.

De moeder en pleegouders zijn niet verschenen bij de zitting, maar de GI heeft haar verzoek toegelicht. De rechtbank constateert dat sinds april 2025 geen omgang meer heeft plaatsgevonden en dat het kind geen teleurstelling ervaart bij het afzeggen, maar wel tijd vrijhoudt voor de bezoeken. De GI heeft haar verzoek aangepast van eens per twee maanden naar eens per drie maanden na overleg met de moeder.

De rechtbank oordeelt dat het belang van het kind is dat contact met de moeder blijft bestaan, maar binnen een haalbare regeling. Daarom wordt de omgangsregeling gewijzigd naar eens per drie maanden en wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De optie om geen omgangsregeling vast te stellen en de GI volledig de regie te geven, wordt afgewezen omdat dit tot contactbreuk kan leiden.

Uitkomst: De omgangsregeling wordt gewijzigd naar eens per drie maanden en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5647
Zaaknummer: C/09/689116
Datum beschikking: 3 april 2026

Omgang

Beschikking op het op 16 juli 2025 ingekomen verzoek van:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
betreffende:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ,

hierna ook te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en

[de pleegouder 1] en [de pleegouder 2] ,

hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 12 november 2025 van de gecertificeerde instelling;
  • het bericht van 13 januari 2026 van de gecertificeerde instelling;
  • het bericht van 24 februari 2026 van de gecertificeerde instelling.
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek.
Op 3 maart 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de gecertificeerde instelling. De moeder en de pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

- Uit de moeder is het volgende nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .
  • Blijkens de latere vermelding betreffende de erkenning is [minderjarige] op [dag] 2015 erkend door [de vader] (de vader).
  • [minderjarige] verblijft in een perspectief biedend pleeggezin.
  • De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 augustus 2020 – voor zover hier van belang – het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een nieuwe omgangsregeling in het kader van artikel 1:262b BW afgewezen.
  • De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 april 2021 – voor zover hier van belang – opnieuw een verzoek van de moeder tot het vaststellen van een nieuwe omgangsregeling in het kader van artikel 1:262b BW afgewezen.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 13 april 2021 is – voor zover hier van belang – het ouderlijk gezag van de vader en de moeder beëindigd en is William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering benoemd tot voogd over [minderjarige] , welke beschikking is bekrachtigd bij uitspraak van 2 maart 2022 van het gerechtshof te Den Haag.
  • Bij proces-verbaal van 12 februari 2024 zijn de volgende afspraken gemaakt:
- de komende contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] worden door [hulpverlener] met de moeder voor besproken en na besproken;
- de rechtbank ontvangt over zes maanden bericht van [hulpverlener] over het verloop van de contactmomenten;
- de rechtbank ontvangt over zes maanden bericht van de William Schrikker Stichting over hoe het in het algemeen gaat met [minderjarige] en ook hoe het met hem gaat op school;
- de rechtbank ontvangt over zes maanden bericht van de William Schrikker Stichting over het verloop van de contactmomenten en hun standpunt hierin;
- de advocaat van de moeder wordt in de gelegenheid gesteld op de ingediende stukken te reageren;
- de rechtbank ontvangt over zes maanden bericht van de William Schrikker Stichting en de advocaat van de moeder over de gewenste voortgang van de procedure en zal zo nodig na ontvangst van de hierboven genoemde stukken een behandeling op de zitting plannen.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2025 is – voor zover hier van belang – bepaald dat [minderjarige] één keer per vier weken omgang zal hebben met de moeder onder de voorwaarden zoals neergelegd in de (in kopie) aan deze beschikking gehechte brieven van 17 juni 2024 en 21 oktober 2024 van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering.

Verzoek en verweer

Het (gewijzigde) verzoekschrift strekt tot wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2025 inzake de omgang tussen de moeder en [minderjarige] , in die zin dat de GI thans verzoekt dat er één keer per drie maanden begeleide omgang plaatsvindt, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Omgang
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377e lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders, van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan. In dit geval is de GI belast met de voogdij over [minderjarige] . Evenals de ouder met het gezag kan ook de gecertificeerde instelling, die als voogd het gezag over de minderjarige heeft, gebruik maken van de rechtsingang van de artikelen 1:377a en 1:377e BW (zie Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:943), zodat de rechtbank de GI zal ontvangen in het verzoek.
In de beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2025 is een omgangsregeling vastgesteld, waarbij de moeder eens per vier weken omgang heeft met [minderjarige] . De rechtbank constateert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, aangezien de moeder de afgesproken omgang regelmatig afzegt.
De GI baseert haar verzoek op het feit dat de huidige omgangsregeling voor de moeder niet haalbaar is, omdat het haar niet lukt deze na te komen. Sinds april 2025 heeft er geen enkel omgangsmoment meer tussen de moeder en [minderjarige] plaatsgevonden. De moeder heeft verklaard dat zij kampt met diverse medische klachten. Daarnaast geeft zij aan last te ondervinden van treiterijen door buurtbewoners en de woningbouwvereniging. Deze omstandigheden veroorzaken bij haar veel stress, waardoor zij niet in staat is de afgesproken omgangsmomenten te realiseren.
Hoewel [minderjarige] aanvankelijk zelf had aangegeven zijn moeder vaker te willen zien, lijkt hij volgens zijn pleegouders niet altijd evenveel zin te hebben in de bezoeken. Hij wil liever met vriendjes spelen en reageert met “yes” wanneer de bezoeken door de moeder worden afgezegd. Zowel de pleegouders als de traumabegeleider van [minderjarige] hebben aangegeven dat hij op die momenten geen teleurstelling ervaart.
De GI heeft aanvankelijk verzocht om de omgang te wijzigen naar eens in de twee maanden. Na een telefonisch gesprek tussen de jeugdbeschermer van de GI en de moeder over de naderende zitting, heeft de GI haar verzoek aangepast naar eens in de drie maanden.
Tijdens dit gesprek gaf de moeder aan nog steeds last te hebben van lichamelijke klachten en treiterijen vanuit de buurt, en sprak zij haar behoefte aan rust uit. De jeugdbeschermer stelde in dit kader voor het verzoek te wijzigen van eenmaal per twee maanden naar eenmaal per drie maanden, met als doel de druk op de moeder te verminderen en te komen tot een haalbare en uitvoerbare omgangsregeling. De moeder stemde hiermee in.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de omgangsregeling zoals vastgelegd bij beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2025 niet wordt nageleefd. De moeder zegt de afgesproken omgangsmomenten regelmatig af. Inmiddels hebben de moeder en [minderjarige] elkaar al maanden niet gezien. [minderjarige] ervaart geen teleurstelling wanneer de moeder de omgang afzegt, maar bereidt zich wel telkens voor op een omgangsmoment en houdt daarvoor tijd vrij. Nu het de moeder niet lukt om de afspraken na te komen, acht de rechtbank het niet langer in het belang van [minderjarige] om de huidige regeling voort te zetten. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is contact te hebben met zijn moeder en te weten wie zij is, maar dat dit binnen een werkbare regeling moet gebeuren. De rechtbank zal daarom de omgangsregeling van eens per vier weken wijzigen en terugbrengen naar eens per drie maanden, zodat deze voor de moeder haalbaar is. De tijdens de mondelinge behandeling besproken optie om geen omgangsregeling vast te stellen en de GI volledig de regie te geven bij het inrichten van het contact, acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] . Dat zou namelijk zonder verdere rechterlijke tussenkomst tot een volledige contactbreuk tussen [minderjarige] en zijn moeder kunnen leiden.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank d.d. 15 mei 2025 – :
bepaalt dat [minderjarige] één keer per drie maanden omgang zal hebben met de moeder;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2026.