Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11374

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL26.21703
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b VbVreemdelingenwet 2000VreemdelingenbesluitECLI:EU:C:2021:506
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring wegens onvoldoende beëindiging verblijf Nederland

Eiser, van Litouwse nationaliteit, betwistte de maatregel van bewaring opgelegd door de minister op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat hij Nederland van eind januari 2025 tot april 2026 had verlaten en dat zijn zwervend bestaan en langdurige afwezigheid voldoende waren om zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief te beëindigen.

De rechtbank overwoog dat het enkele fysieke vertrek niet volstaat en dat ook moet worden beoordeeld of eiser zijn banden met Nederland heeft verbroken en of hij het centrum van zijn belangen naar een andere lidstaat heeft verplaatst. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, mede omdat hij tijdens zijn verblijf in Litouwen geen eigen woning had en slechts informeel werkte, en in Noorwegen en Duitsland niet werkte.

De minister had daarnaast zwaarwegende gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. De rechtbank vond dat geen lichtere maatregel passend was. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21703

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S. Toughza, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Blaauw. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Litouwse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2002.
2. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring onterecht is opgelegd, omdat eiser rechtmatig verblijf heeft als Unieburger. Nadat het verblijfsrecht is ingetrokken heeft eiser Nederland van eind januari 2025 tot en met 14 april 2026 verlaten. Eiser leidt een zwervend bestaan en beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. Als er geen of nauwelijks andere aanknopingspunten zijn om te kunnen beoordelen of eiser het centrum van zijn belangen heeft verplaatst naar een ander land, dient volgens eiser aan de tijdsduur van zijn afwezigheid meer belang toe te komen. Aangezien eiser meer dan een jaar buiten Nederland heeft verbleven, kan op basis daarvan niet worden gezegd dat hij zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Eiser verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 26 januari 2022. [1]
2.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021 [2] volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit van 11 oktober 2024. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser op 22 januari 2025 gedwongen is uitgezet en daarbij feitelijk Nederland heeft verlaten, maar dat eiser op 14 april 2026 weer in aanraking is gekomen met de politie in Nederland.
In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser weliswaar verklaard dat hij in die periode in Litouwen een baantje heeft gehad in de bouw, maar dat dit als hulp was en niet officieel [3] . Daarnaast volgt uit het gehoor dat hij geen eigen woning heeft gehad in Litouwen en hij destijds bij zijn moeder verbleef. In Noorwegen en Duitsland – waar eiser respectievelijk zes à zeven maanden en drie weken zegt te hebben verbleven – heeft eiser niet gewerkt. Eiser heeft hiermee in het geheel niet onderbouwd dat hij het centrum van zijn belangen naar Litouwen (of naar Noorwegen of Duitsland) heeft overgebracht en daar een bestendig bestaan heeft opgebouwd. Het betoog van eiser komt erop neer dat, nu hij een zwervend bestaan leidt en niet beschikt over werk en inkomen, de duur van zijn verblijf doorslaggevend moet worden geacht en dat hij reeds op grond daarvan zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Dit betoog treft geen doel. Uit het hierboven genoemde arrest volgt immers dat niet uitsluitend de (langere) duur van de periode dat eiser buiten Nederland heeft verbleven beslissend is, maar dienen hierbij ook de vragen te worden beantwoord of er elementen zijn waaruit blijkt dat eiser zijn banden met Nederland heeft verbroken en of eiser duidelijkheid kan verschaffen over de vraag of hij daadwerkelijk buiten Nederland heeft verbleven, alsmede of er aanwijzingen zijn waaruit volgt dat eiser in de periode dat hij buiten Nederland was het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht. Gelet op het voorgaande heeft eiser dat niet aannemelijk gemaakt en heeft de minister dus mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet.
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister verder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
4. Eiser voert verder aan dat niet valt in te zien dat niet kon worden volstaan met een lichter middel, zoals een borgtocht of meldplicht.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is
geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het
standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende
maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. In de
maatregel is gewezen op de gronden en de motivering daarvan, waaruit volgt dat er een
risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft toegelicht dat het
gedrag van eiser geen aanleiding geeft om een lichter middel toe te passen. Hierbij heeft de
minister mogen betrekken dat eiser zijn vertrek uit Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets waartoe de rechtbank is gehouden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het opleggen of voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Arrest van 22 juni 2021, zaak C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506.
3.Overigens heeft eiser tijdens de zitting aangegeven dat hij niet heeft gewerkt in de maanden dat hij in Litouwen was.