De rechtbank Den Haag heeft op 10 april 2026 uitspraak gedaan over het verzoek tot vaststelling van staatloosheid van een persoon geboren in de Gazastrook in 2002. De verzoeker heeft in verschillende landen verbleven, waaronder Turkije en Griekenland, maar heeft volgens de rechtbank geen nationaliteit van deze landen verkregen. De verzoeker heeft een verblijfsvergunning asiel in Nederland.
De rechtbank heeft het verzoekschrift en de bijlagen bestudeerd, evenals de adviezen van de Staat der Nederlanden, die het verzoek steunen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoeker niet als onderdaan wordt beschouwd van de Palestijnse gebieden, Turkije of Griekenland, mede omdat Nederland de Palestijnse nationaliteit niet erkent en de verblijfstermijnen in Turkije en Griekenland onvoldoende waren voor naturalisatie.
Op grond van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid heeft de rechtbank de staatloosheid van de verzoeker vastgesteld. De beschikking is zonder mondelinge behandeling gegeven, met instemming van partijen. De uitspraak is gedaan door rechter A. Emmens in aanwezigheid van griffier S. Sluijmer.