De rechtbank Den Haag behandelde op 30 maart 2026 een verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling met de vader voor hun minderjarige kinderen. De vader was niet verschenen, maar de moeder en een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming waren wel aanwezig. De rechtbank baseerde zich op artikel 1:377a lid 1 en 2 BW, dat het recht op omgang van het kind met beide ouders regelt.
De kinderen verblijven momenteel om de twee weken van vrijdag tot maandagochtend bij de vader. De moeder verzocht deze regeling vast te stellen en tevens een verdeling van vakanties en feestdagen. De rechtbank wees het verzoek toe omdat de vader geen verweer voerde en de regeling in het belang van de kinderen is. Tijdens een gesprek met de kinderrechter gaf een van de kinderen aan tevreden te zijn met de omgang, maar wenste dat de vader minder vaak boos zou zijn.
De rechtbank stelde een gedetailleerde regeling vast voor vakanties, feestdagen, verjaardagen en bezoekrechten, waarbij de kinderen onder meer in de zomervakantie zes weken verdeeld verblijven, en Kerst en Pasen worden gedeeld. De proceskosten worden door iedere partij zelf gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven.