Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10875

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
NL26.16489 en NL26.16490
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awbartikel 3 EVRMartikel 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Zwitserland afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

Eiser stelde dat hij niet is gehoord en geen gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze in te dienen. Hij verwees naar het AIDA-rapport over systeemgerelateerde tekortkomingen in Zwitserland en zijn eigen ervaringen. De rechtbank oordeelde dat eiser niet is verschenen bij geplande gehoren en dat de uitnodigingen klaar lagen bij de COA-locatie, maar niet door eiser zijn opgehaald. Verweerder mocht daarom afzien van uitstel voor het indienen van een zienswijze.

De rechtbank bevestigde dat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland, zoals eerder door de Afdeling bestuursrechtspraak is bevestigd. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Zwitserland niet langer betrouwbaar is. Daarom is het beroep ongegrond en blijft het besluit in stand. Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAGBestuursrecht
zaaknummers: NL26.16489 en NL26.16490
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], [V-nummer] eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft eerder een asielaanvraag ingediend die niet in behandeling is genomen door verweerder, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet is gehoord is en geen gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze in te dienen. Ten aanzien van het gehoor stelt eiser dat hij niet is uitgenodigd en geen loopbrieven heeft ontvangen. In zijn afsprakenkaarten staan geen data voor gehoren vermeld. Eiser vindt verder dat verweerder hem – gelet op de omstandigheden van het geval – ten onrechte geen uitstel heeft verleend voor het indienen van een zienswijze. Hij wijst er daarbij op dat er geen enkele haast was bij het nemen van het besluit. Tot slot wijst hij erop dat in Zwitserland bij Marokkaanse asielzoekers sprake is van systeemgerelateerde tekortkomingen. Eiser verwijst hierbij naar het AIDA-rapport van 1 mei 2025 (2024 update). Dit heeft hij zelf ook zo ervaren in Zwitserland.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Procedureel
4. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat de procedure niet zorgvuldig is verlopen.
Daartoe is allereerst van belang dat er een gehoor stond gepland op 16 februari 2026. Toen eiser niet is verschenen is een nieuw gehoor ingepland op 28 februari 2026. Ook hier is eiser niet verschenen. Verweerder mocht erop wijzen dat de uitnodigingen voor de gehoren klaar lagen bij de COA-locatie, maar niet door eiser zijn opgehaald, terwijl hij kon weten dat hij zijn post regelmatig moest controleren.
Verweerder heeft verder mogen afzien van het geven van uitstel voor het indienen van een zienswijze. Verweerder voert op dit punt beleid dat naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk is. [1] Aan de voorwaarden voor uitstel als genoemd in dit beleid is niet voldaan en verweerder hoefde geen aanleiding te zien om van dit beleid af te wijken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Zwitserland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) onder meer in uitspraken van 4 november 2020 [2] en 12 juli 2024 [3] bevestigd. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 Handvest Pro.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Zwitserland niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De algemene verwijzing naar het AIDA-rapport van 1 mei 2025 en een stelling van eiser over zijn eigen ervaringen zijn voor de rechtbank onvoldoende om te oordelen dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze verwijzingen zijn onvoldoende om te spreken over structurele tekortkomingen.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Zwitserland ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.
6.1.
Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [4] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
6.2.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroepEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift
sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd
waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden
ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener
de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.

Voetnoten

1.Dit beleid staat in paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire.
4.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.