Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10857

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/09/700867 KG ZA 26-243
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:305a BWArt. 1018c RvArt. 5.1 lid 5 WooArt. 8:81 AwbArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid eiser in vordering tot openbaarmaking GIAB-gegevens 2022

Eiser, een onderneming actief in duurzaam voedseladvies, vordert in kort geding dat de minister van VWS de GIAB-gegevens van 2022 openbaar maakt conform een eerder genomen besluit. De minister had deze gegevens als milieu-informatie aangemerkt en openbaarmaking uitgesteld vanwege lopende bezwaar- en beroepsprocedures van derden, waaronder POV en WUR.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn primaire en meer subsidiaire vorderingen omdat voldoende bestuursrechtelijke rechtsmiddelen openstaan om openbaarmaking af te dwingen. De subsidiaire vordering tot verstrekking van bestanden wordt afgewezen omdat de minister toezegt deze bestanden aan eiser te verstrekken.

Eiser stelt dat het besluit tot openbaarmaking onherroepelijk is en niet gewijzigd kan worden, maar de rechtbank wijst erop dat het wijzigingsbesluit van de minister rechtsgeldig is en dat de bestuursrechter hierover moet oordelen. De procedure wordt niet aangehouden omdat eiser geen belang heeft gezien de bestuursrechtelijke mogelijkheden.

Eiser wordt in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van de proceskosten van minister en POV. De rechtbank acht de voeging van POV als partij niet onrechtmatig. Het vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en op 20 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen tot openbaarmaking GIAB-gegevens 2022 en veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/700867 / KG ZA 26-243
Vonnis in kort geding van 20 april 2026
in de zaak van
[eiser], h.o.d.n. [handelsnaam]te [woonplaats],
eiser,
advocaten mrs. J. Sinnige en G.M. Kersten te Amsterdam,
tegen:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)te Den Haag,
gedaagde,
advocaten mrs. E.C. Pietermaat en M.H.A. Bakkum te Den Haag,
waarin zich aan de zijde van gedaagde heeft gevoegd:
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
PRODUCENTEN ORGANISATIE VARKENSHOUDERIJ,
te Ede,
advocaat mr. T.D. Polak te Groningen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’, ‘de minister’ en ‘POV’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de conceptdagvaarding waarop de minister vrijwillig is verschenen, met producties 1 tot en met 9;
- de akte van [eiser] houdende overlegging producties 10 en 11;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 19;
- de akte van [eiser] houdende overlegging productie 12;
- de incidentele conclusie tot voeging van POV, met producties 1 tot en met 12;
- de op 30 maart 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiser] pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.Het incident tot voeging

2.1.
POV heeft gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van de minister. De voorzieningenrechter constateert dat POV voldoet aan de voorwaarden die artikel 3:305a BW en artikel 1018c Rv, mede gelet op de aard van deze rechtsvordering, aan de ontvankelijkheid van POV verbinden. Ter zitting hebben [eiser] en de minister desgevraagd verklaard geen bezwaar te hebben tegen de voeging. POV is vervolgens toegelaten als gevoegde partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de voeging aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
[eiser] heeft een onderneming die zich richt op advies, onderzoek en communicatie op het gebied van duurzaam voedsel.
3.2.
POV houdt zich blijkens haar statuten onder meer bezig met het behartigen van de belangen van Nederlandse varkenshouders in de ruimste zin van het woord.
3.3.
[eiser] heeft op respectievelijk 6 maart 2023, 24 juni 2024 en 13 mei 2025 voor zichzelf en in opdracht van Stichting Wakker Dier een verzoek ingediend bij de minister op grond van de Wet open overheid (Woo). Deze verzoeken strekken tot openbaarmaking van door Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR) opgestelde gegevens uit het Geografisch Informatiesysteem Agrarische Bedrijven (GIAB) vanaf het jaar 2013.
3.4.
De minister heeft bij drie afzonderlijke besluiten op deze verzoeken beslist. Bij besluit van 15 november 2023 (hierna: ‘besluit 1’) heeft de minister besloten om de GIAB-gegevens van de jaren 2013 tot en met 2021 openbaar te maken. Op 29 oktober 2024 heeft de minister besloten om de GIAB-gegevens van het jaar 2022 openbaar te maken (hierna: ‘besluit 2’). Bij besluit van 13 mei 2025 (hierna: ‘besluit 3’) heeft de minister besloten om de GIAB-gegevens van het jaar 2023 openbaar te maken. De minister heeft de gevraagde gegevens in deze besluiten aangemerkt als milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. In de besluiten heeft de minister omtrent de wijze van openbaarmaking overwogen dat belanghebbenden twee weken de tijd hebben om bezwaar te maken en een verzoek in te dienen tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij is vermeld dat de uitkomst van een ingediend bezwaar en een verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewacht alvorens tot openbaarmaking zal worden overgegaan.
3.5.
POV, [bedrijf] B.V. (hierna: ‘[bedrijf]’) en WUR hebben bezwaar gemaakt tegen besluit 1. De minister heeft deze bezwaren op 6 december 2024 bij afzonderlijke beslissingen ongegrond verklaard. POV, [bedrijf] en WUR hebben daartegen beroep ingesteld. De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft bij uitspraak van 28 februari 2025 op verzoek van POV, [bedrijf] en WUR de beslissingen op bezwaar van 6 december 2024 hangende beroep geschorst. WUR heeft haar beroep op 19 december 2025 ingetrokken. Het beroep van POV en [bedrijf] tegen besluit 1 is op 5 februari 2026 gelijktijdig met hun hierna te bespreken beroep tegen besluit 3 door de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland ter zitting behandeld. Op deze beroepen is nog niet beslist. De minister heeft tot op heden geen feitelijke uitvoering gegeven aan besluit 1.
3.6.
WUR heeft bezwaar gemaakt tegen besluit 2. Bij uitspraak van 28 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland op verzoek van WUR besluit 2 hangende bezwaar geschorst. Bij beslissing op bezwaar van 6 mei 2025 heeft de minister het bezwaar van WUR ongegrond verklaard. WUR heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland. Op 19 december 2025 heeft WUR haar beroep ingetrokken. De minister heeft tot op heden geen feitelijke uitvoering gegeven aan besluit 2.
3.7.
WUR heeft bezwaar gemaakt tegen besluit 3. Dit bezwaar heeft WUR op 19 december 2025 ingetrokken. POV en [bedrijf] hebben de minister verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep tegen besluit 3. De minister heeft met dit verzoek ingestemd. Het beroep van POV en [bedrijf] is op 5 februari 2026 gelijktijdig met hun beroep tegen besluit 1 door de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland ter zitting behandeld. Op deze beroepen is nog niet beslist. POV en [bedrijf] hebben de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland afzonderlijk verzocht om besluit 3 bij voorlopige voorziening hangende beroep te schorsen. Op deze verzoeken is nog niet beslist. De minister heeft tot op heden geen feitelijke uitvoering gegeven aan besluit 3.
3.8.
[eiser] heeft de minister bij e-mail en brief van 13 februari 2026 gesommeerd om de GIAB-gegevens van 2022 uiterlijk op 27 februari 2026 conform besluit 2 openbaar te maken.
3.9.
De minister heeft de rechtbank Gelderland bij brief van 19 februari 2026 en [eiser] en de advocaat van POV en [bedrijf] bij brief van 20 februari 2026 bericht dat hangende de beroepsprocedures tegen besluiten 1 en 3 nieuwe feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen die aanleiding geven tot een gedeeltelijke heroverweging van de drie reeds genomen besluiten. Daarbij heeft de minister vermeld dat wijzigingsbesluiten worden voorbereid en dat deze wijzigingsbesluiten naar verwachting binnen acht weken zullen worden genomen.
3.10.
De rechtbank Gelderland heeft bij beslissing van 5 maart 2026 het onderzoek in de beroepsprocedures tegen de besluiten 1 en 3 heropend en de minister in de gelegenheid gesteld om de aangekondigde wijzigingsbesluiten binnen een termijn van acht weken toe te zenden.
3.11.
Bij e-mail van 18 maart 2026 is namens de minister als volgt aan de advocaat van POV bericht:
3.12.
Op 20 maart 2026 is namens de minister als volgt aan de advocaat van POV bericht:
3.13.
De minister heeft op 26 maart 2026 zijn beslissing van 6 mei 2025 op het door WUR tegen besluit 2 ingediende bezwaar herzien voor zover dit besluit betrekking heeft op de relatienummers en de aanvraagnummers in de GIAB-gegevens van het jaar 2022. Daartoe heeft de minister onder meer het volgende overwogen:
(…)
3.14.
POV en [bedrijf] hebben beroep ingesteld tegen de herziene beslissing op bezwaar van de minister van 26 maart 2026. Op dit beroep is nog niet beslist. Tevens hebben POV en [bedrijf] de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland verzocht om deze beslissing bij wege van voorlopige voorziening te schorsen. Op dit verzoek was op de dag van de mondelinge behandeling evenmin beslist.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert na wijziging van eis – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:de minister op straffe van een dwangsom te gebieden om binnen zeven dagen na datum van dit vonnis over te gaan tot feitelijke openbaarmaking van de GIAB-gegevens van 2022 conform besluit 2;
subsidiair:de minister op straffe van een dwangsom te gebieden om binnen zeven dagen na datum van dit vonnis over te gaan tot het verstrekken aan haar advocaat van dezelfde bestanden die bij e-mail van 20 maart 2026 aan derden zijn verstrekt;
meer subsidiair:de minister op straffe van een dwangsom te gebieden om, indien WUR niet binnen twee weken na 26 maart 2026 een voorlopige voorziening tot schorsing van het wijzigingsbesluit van 26 maart 2026 heeft ingediend, binnen zeven dagen daarna over te gaan tot feitelijke openbaarmaking van de GIAB-gegevens van 2022 conform het wijzigingsbesluit van 26 maart 2026;
zowel primair, subsidiair als meer subsidiairmet veroordeling van de minister in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Ter onderbouwing van zijn primaire vordering voert [eiser] – samengevat – aan dat de minister onrechtmatig handelt door niet onverwijld over te gaan tot openbaarmaking van de GIAB-gegevens van 2022. Volgens [eiser] ontbreekt een juridische grond voor verder uitstel van openbaarmaking van deze gegevens. De minister bedient zich volgens [eiser] van een constructie en maakt afspraken met onder andere POV om onder openbaarmaking uit te komen. Hierdoor handelt de minister in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Besluit 2 is volgens [eiser] tot stand gekomen na een zorgvuldige procedure en met de intrekking door WUR van haar beroep onherroepelijk geworden. Een onherroepelijk besluit kan naar de mening van [eiser] niet worden ingetrokken of gewijzigd door middel van een wijzigingsbesluit. [eiser] verwijst in dat verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) van 24 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4557). Van nieuwe feiten of omstandigheden is naar de mening van [eiser] in dit geval geen sprake. Uit deze uitspraak blijkt volgens [eiser] tevens dat alle GIAB-gegevens zijn aan te merken als milieu-informatie. Bovendien is volgens [eiser] het standpunt dat niet alle gegevens als zodanig zijn aan te merken reeds door de minister beoordeeld en verworpen in besluit 2 en de beslissing op bezwaar van 6 mei 2025. De door de minister aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:600) ziet naar de mening van [eiser] op een andere situatie en is gewezen onder de gelding van een inmiddels vervallen wet. Daarnaast is deze uitspraak volgens [eiser] niet nieuw omdat hij past in een consistente lijn van eerdere uitspraken. Ook als de minister wel tot het nemen van het wijzigingsbesluit heeft mogen overgaan, geldt volgens [eiser] dat het beroep van de minister op artikel 5.1 lid 5 Woo niet kan slagen, omdat de relatienummers en de aanvraagnummers op grond van voormelde vaste jurisprudentie van de Afdeling als milieu-informatie moeten worden aangemerkt. De lopende beroepsprocedures tegen de besluiten 1 en 3 geven volgens [eiser] evenmin grond voor uitstel van openbaarmaking. Daarbij verwijst [eiser] naar een vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 4 september 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:16439). [eiser] stelt dat de civiele rechter als restrechter bevoegd is om kennis te nemen van zijn vordering tot nakoming van het onherroepelijke besluit 2. Volgens [eiser] staat hem geen bestuursrechtelijke procedure ter beschikking waarin hij deze vordering kan instellen. [eiser] stelt dat de GIAB-gegevens van 2022 milieu-informatie betreffen die relevant zijn voor het maatschappelijk debat over de intensieve veehouderij en het stikstofbeleid. Om die reden stelt [eiser] een spoedeisend belang te hebben bij onverwijlde openbaarmaking van die gegevens.
4.3.
Ter onderbouwing van zijn subsidiaire vordering stelt [eiser] dat uit de tussen POV en de minister gevoerde e-mailcorrespondentie volgt dat de GIAB-gegevens van 2022 op 20 maart 2026 ter inzage aan POV en twee andere ondernemingen zijn toegezonden. Daarmee zijn volgens [eiser] de GIAB-gegevens van 2022 reeds openbaar gemaakt. [eiser] stelt dat ook hij van die openbaar gemaakte gegevens kennis moet kunnen nemen.
4.4.
Ter onderbouwing van zijn meer subsidiaire vordering stelt [eiser] dat hij deze vordering instelt voor het geval dat de civiele rechtsgang voor hem niet openstaat. Volgens [eiser] kunnen POV en [bedrijf] tegen het wijzigingsbesluit van 26 maart 2026 geen rechtsmiddelen aanwenden. Volgens [eiser] kan uitsluitend WUR tegen dit besluit opkomen omdat het aan haar is gericht en POV en [bedrijf] eerder geen rechtsmiddelen tegen besluit 2 hebben aangewend. Aannemelijk is volgens [eiser] dat als WUR niet om schorsing van het wijzigingsbesluit verzoekt en ook dit besluit onherroepelijk is, de minister zal blijven weigeren om de GIAB-gegevens van 2022 openbaar te maken.
4.5.
De Staat en POV voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

5.De beoordeling van het geschil

5.1.
De primaire vordering van [eiser] strekt tot feitelijke openbaarmaking van de GIAB-gegevens van 2022 conform besluit 2. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of [eiser] in deze civiele kortgedingprocedure in die vordering kan worden ontvangen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt.
5.2.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de voorzieningenrechter in kort geding fungeert als ‘restrechter’ in alle zaken met een spoedeisend karakter. De aanwijzing van een andere bevoegde rechter of van een speciale rechtsgang maakt de voorzieningenrechter in beginsel niet onbevoegd. Slechts wanneer de andere aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt, zal de weg naar de voorzieningenrechter in kort geding afgesloten zijn. Hiertoe is vereist dat in spoedeisende gevallen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat, waarin de eiser een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken (vlg. HR 16 maart 1990, NJ 1990, 500).
5.3.
De minister heeft met het wijzigingsbesluit van 26 maart 2026 de beslissing op bezwaar van 6 mei 2025 gedeeltelijk herzien en tevens besluit 2 herroepen voor zover deze besluiten betrekking hebben op de voorgenomen openbaarmaking van relatienummers en aanvraagnummers uit de GIAB-gegevens van 2022. De onderliggende Woo-stukken, dat wil zeggen de GIAB-gegevens van 2022 met uitzondering van de daarin opgenomen relatienummers en aanvraagnummers, worden blijkens het wijzigingsbesluit twee weken na dit besluit openbaar gemaakt. Dit is blijkens het wijzigingsbesluit alleen anders indien een belanghebbende een voorlopige voorziening vraagt aan de voorzieningenrechter van de rechtbank waar ook beroep tegen het wijzigingsbesluit is ingesteld. POV en [bedrijf] hebben beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland tegen het wijzigingsbesluit en ook hebben zij de voorzieningenrechter van die rechtbank op de voet van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om bij voorlopige voorziening te bepalen dat de GIAB-gegevens van 2022 hangende het beroep niet openbaar worden gemaakt. Het verzoek van POV en [bedrijf] om een voorlopige voorziening heeft op grond van artikel 4.4 lid 5 Woo tot gevolg dat de openbaarmaking van de GIAB-gegevens van 2022 is opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan of het verzoek door POV en [bedrijf] is ingetrokken. Dit heeft tot gevolg dat zolang niet op het verzoek van POV en [bedrijf] om een voorlopige voorziening is beslist, de voorzieningenrechter de minister in een civielrechtelijk kort geding niet tot feitelijke openbaarmaking van die gegevens kan verplichten. Daarbij komt dat [eiser] zijn in dit kort geding ingenomen standpunt dat de minister niet bevoegd was om het volgens hem op dat moment reeds onherroepelijk geworden besluit 2 te wijzigen en zijn standpunt dat POV en [bedrijf] geen rechtsmiddelen tegen het wijzigingsbesluit kunnen aanwenden omdat zij eerder niet tegen besluit 2 zijn opgekomen, ter beoordeling kan voorleggen aan de bestuursrechter. Dit kan [eiser] doen als derde-belanghebbende in het kader van de beide naar aanleiding van het wijzigingsbesluit door POV en [bedrijf] gestarte bestuursrechtelijke procedures dan wel in het kader van een door hemzelf te starten bestuursrechtelijke procedure. Daarbij geldt dat [eiser] de bestuursrechter zowel in het kader van een beroepsprocedure als in het kader van een voorlopige voorziening eveneens kan verzoeken om de minister te verplichten de GIAB-gegevens van 2022 op straffe van verbeurte van een dwangsom alsnog openbaar te maken (vgl. de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, waarin de Afdeling heeft bepaald dat de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur binnen twee weken tot openbaarmaking van bepaalde documenten diende over te gaan). Een en ander betekent dat voor [eiser] meerdere met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgangen openstaan, waarin hij een met dit civielrechtelijke kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken. [eiser] heeft niet doen blijken van feiten en/of omstandigheden die maken dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij gebruik maakt van die voor hem openstaande bestuursrechtelijke rechtsgangen. Om die reden dient [eiser] in zijn primaire vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.4.
Aan zijn subsidiaire vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat de minister de GIAB-gegevens van 2022 reeds openbaar heeft gemaakt. In deze vordering kan [eiser] in deze procedure wel worden ontvangen. Zowel de minister als POV heeft gemotiveerd weersproken dat de GIAB-gegevens van 2022 al met POV en de door [eiser] genoemde derden zijn gedeeld. De advocaten van de minister hebben ter zitting ten verwere betoogd dat op 20 maart 2026 zes GIAB-bestanden aan POV als derde-belanghebbende zijn verstrekt, met daarin uitsluitend lege kolommen aan de hand waarvan kan worden opgemaakt welke soort gegevens in de bestanden zijn opgenomen. De gegevens zelf zijn volgens de minister niet verstrekt, hetgeen POV heeft bevestigd. [eiser] heeft op zijn beurt niet aannemelijk gemaakt dat de door de minister toegezonden bestanden meer omvatten dan enkel de door minister en POV gestelde kolommen. Om die reden wordt er voorshands vanuit gegaan dat de GIAB-gegevens van 2022 tot op heden niet openbaar zijn gemaakt. De minister heeft ter zitting toegezegd dat de op 20 maart 2026 aan POV verstuurde bestanden binnen week eveneens aan [eiser] zullen worden toegezonden. Nu ervan uit mag worden gegaan dat de minister die toezegging gestand zal doen, bestaat er geen grond voor een veroordeling van de minister tot het verstrekken van die bestanden aan [eiser].
5.5.
Daarmee resteert de meer subsidiaire vordering van [eiser], die ertoe strekt de minister te bevelen de GIAB-gegevens van 2022 openbaar te maken als WUR niet binnen twee weken na 26 maart 2026 een voorlopige voorziening heeft ingesteld tot schorsing van het wijzigingsbesluit. [eiser] gaat er in het kader van deze vordering vanuit dat uitsluitend WUR rechtsmiddelen kan aanwenden tegen het wijzigingsbesluit. Zoals hiervoor reeds is overwogen, kan [eiser] zijn betoog dat POV en [bedrijf] niet in rechte tegen dit besluit kunnen opkomen omdat zij eerder geen rechtsmiddelen tegen besluit 2 hebben aangewend, ter beoordeling voorleggen aan de bestuursrechter in de reeds door POV en [bedrijf] aanhangig gemaakte bestuursrechtelijke procedures dan wel in een door hemzelf te starten bestuursrechtelijke procedure. Op het oordeel van de bestuursrechter kan in deze kortgedingprocedure niet vooruit worden gelopen. [eiser] kan bovendien – zoals hiervoor eveneens al is overwogen – de bestuursrechter in die procedures verzoeken om te bepalen dat de GIAB-gegevens van 2022 (alsnog) door de minister openbaar moeten worden gemaakt. In zoverre staat [eiser] dus eveneens een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang ter beschikking, waarin hij een met dit kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken Dit betekent dat [eiser] in zijn meer subsidiaire vordering eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5.6.
[eiser] heeft ter zitting nog verzocht om deze kortgedingprocedure aan te houden maar daarbij heeft hij, gelet op de bestuursrechtelijke rechtsmiddelen die hem blijkens het voorgaande ter beschikking staan, geen belang.
5.7.
[eiser] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen van zowel de minister als POV. Dat het wijzigingsbesluit hangende deze kortgedingprocedure is genomen doet hier niet aan af. De minister heeft immers al op 19 februari 2026 aangekondigd dat wijzigingsbesluiten worden voorbereid en [eiser] heeft er desondanks voor gekozen om dit kort geding door te zetten. Ten aanzien van de kostenveroordeling jegens POV overweegt de voorzieningenrechter dat in dit kort geding niet kan worden aangenomen dat – zoals [eiser] stelt en POV weerspreekt – POV op oneigenlijke wijze gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om zich te voegen aan de zijde van de minister. Zoals hiervoor is overwogen, is het oordeel over de vraag of POV ondanks dat zij eerder geen rechtsmiddelen tegen besluit 2 heeft aangewend beroep kan instellen tegen het wijzigingsbesluit, voorbehouden aan de bestuursrechter en op dit oordeel kan dit kort geding niet vooruit worden gelopen. De proceskosten van zowel de minister als POV worden begroot op:
- griffierecht € 735,--
- salaris advocaat € 1.177,--
- nakosten € 189,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101,--
5.8.
De door de minister gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter:
6.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn primaire en meer subsidiaire vordering;
6.2.
wijst de subsidiaire vordering af;
6.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van zowel de minister als POV telkens begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij zowel aan de minister als aan POV € 98,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.4.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de aan de minister te betalen proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.5.
verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.
mw