ECLI:NL:RBDHA:2026:1085

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
AWB 24 5015
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing naturalisatieverzoek wegens gerede twijfel aan identiteit en nationaliteit

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 23 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om naturalisatie ongegrond verklaard. Eiser, die in 1999 Nederland is binnengekomen en asiel heeft aangevraagd, heeft herhaaldelijk geprobeerd de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen. De minister van Asiel en Migratie heeft zijn verzoek afgewezen op basis van gerede twijfel aan zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat de minister ten onrechte twijfelt aan zijn afkomst en dat zijn dossier geen aanknopingspunten biedt voor deze twijfels. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de minister voldoende redenen heeft om aan de identiteit en nationaliteit van eiser te twijfelen, onder andere vanwege het ontbreken van officiële documenten en de conclusies van de Azerbeidzjaanse ambassade. De rechtbank heeft de eerdere afwijzingen van asielaanvragen en naturalisatieverzoeken in aanmerking genomen en geconcludeerd dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er gerede twijfel bestaat aan de door eiser opgegeven identiteit en nationaliteit. De rechtbank heeft de afwijzing van het naturalisatieverzoek in stand gelaten en het beroep van eiser ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/5015

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek om naturalisatie. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers verzoek om naturalisatie.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van eisers verzoek om naturalisatie in stand kan blijven. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 en verder staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en de achtergrond van het eerder gedane naturalisatieverzoek. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6.1. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of er gerede twijfel bestaat over de identiteit en nationaliteit van eiser. Aan het eind onder 7 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 8 november 2021 een verzoek om naturalisatie gedaan. De minister heeft dit verzoek met het primaire besluit van 2 juni 2023 afgewezen omdat eiser volgens de minister niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie. Met het bestreden besluit van 7 mei 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij deze afwijzing gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet bij de zitting aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van het naturalisatieverzoek
3. Eiser is op of omstreeks 29 juli 1999 samen met zijn gezin Nederland ingereisd en heeft hier asiel aangevraagd. Hij heeft toen verklaard etnisch Armeniër te zijn, afkomstig uit de regio Nagorno-Karabach in Azerbeidzjan. Daar heeft hij tot 1987 gewoond waarna hij in Voronezj (in het huidige Rusland) in militaire dienst is gegaan. Eiser heeft daar gewoond tot zijn vertrek in 1999 naar Nederland. In Voronezj zou hij zijn getrouwd met een vrouw die ook uit Azerbeidzjan afkomstig zou zijn geweest, maar niet etnisch Armeens. Eiser verklaarde dat hij problemen ondervond omdat hij niet legaal in Rusland verbleef en ook de Russische nationaliteit niet kon verkrijgen terwijl zijn echtgenote een aantal keer door Armeniërs zou zijn aangevallen omdat zij etnisch Azeri zou zijn. Om die redenen zijn zij naar Nederland gekomen. Eisers asielaanvraag is toen, net als die van zijn vrouw, afgewezen omdat hij geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en reisroute kon overleggen. Daarbij werd aannemelijk geacht dat, als eisers gestelde identiteit zou kloppen, hij de Russische nationaliteit had of die eenvoudig kon verkrijgen. Deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft het hiertegen door eiser ingestelde beroep op 14 december 2004 ongegrond verklaard. [1] Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. De beslissing staat daarom in rechte vast.
3.1.
In 2005 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag gedaan. Tijdens die procedure is eiser op eigen verzoek aan de diplomatieke vertegenwoordiging van Azerbeidzjan en aan de diplomatieke vertegenwoordiging van Armenië gepresenteerd. Tijdens de presentatie heeft de consul van Azerbeidzjan geconcludeerd dat eiser niet afkomstig is uit Azerbeidzjan omdat eiser geen Azerbeidzjaans spreekt en de foto’s van het gebied waar hij stelde 18 jaar te hebben gewoond, niet herkende. Na afloop van de presentatie bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Armenië heeft die medegedeeld dat de Armeense nationaliteit van eiser is vastgesteld en dat hij een vervangend reisdocument, een laissez-passer, kan krijgen. De opvolgende aanvraag is gelet op de presentaties bij de Azerbeidzjaanse en Armeense autoriteiten in 2006 afgewezen. De rechtbank ‘s-Gravenhage, zittingsplaats Zutphen [2] heeft het hiertegen ingestelde beroep op 10 oktober 2006 ongegrond verklaard. Omdat eiser geen hoger beroep heeft ingesteld, staat ook deze beslissing in rechte vast.
3.2.
Vervolgens is eiser in 2006 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet (Ranov). Daarbij heeft hij de gelegenheid gekregen om zijn identiteit te herstellen. Hier heeft hij geen gebruik van gemaakt.
Eerste naturalisatieverzoek
3.3.
Eiser heeft later, op 12 november 2015, een eerste verzoek om naturalisatie ingediend. Dit verzoek is afgewezen omdat eisers identiteit en nationaliteit niet waren komen vast te staan, wat een voorwaarde voor naturalisatie is. Eiser had nog steeds geen officiële identiteitsdocumenten overgelegd en er was volgens de minister geen reden om dat niet van hem te verlangen. Eiser had een beroep gedaan op uitzonderingsbeleid voor etnisch Armenen geboren in Azerbeidzjan. Omdat die veelal geen officiële documenten kregen van de Azerbeidzjaanse autoriteiten werden zij vrijgesteld van het kunnen overleggen van een geboorteakte of paspoort. De minister heeft dat beleid echter niet toegepast omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een etnisch Armeen uit Azerbeidzjan was. Daarbij heeft de minister onder meer verwezen naar de tegenwerpingen in de eerdere asielprocedures en de presentaties bij de Armeense en Azerbeidzjaanse ambassades. Evenmin was gebleken dat er een andere reden was (bijvoorbeeld bewijsnood) om eiser van de plicht te ontheffen om een geboorteakte en paspoort te overleggen. Eiser voldeed dus niet aan de voorwaarden voor naturalisatie zodat zijn aanvraag is afgewezen. Het hiertegen ingediende beroep is door de rechtbank Gelderland op 13 maart 2019 [3] ongegrond verklaard. Deze uitspraak staat in rechte vast.
Huidig naturalisatieverzoek
4. Op 8 november 2021 heeft eiser onderhavig naturalisatieverzoek ingediend. Dit heeft de minister afgewezen omdat er nog altijd gerede twijfel bestaat aan eisers identiteit en nationaliteit. De minister heeft daarbij verwezen naar de overwegingen in de eerdere procedures, het nog altijd ontbreken van documenten en de uitkomsten van de presentaties bij de Azerbeidzjaanse en Armeense ambassades. Ook heeft de minister tegengeworpen dat de (inmiddels ex-)echtgenote van eiser inmiddels heeft bekend dat zij bij binnenkomst in Nederland onjuiste informatie had verschaft over haar identiteit en nationaliteit. Zij komt niet uit Azerbeidzjan maar uit Armenië. Volgens de minister heeft eiser ook nog altijd niet aannemelijk gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert.
Toetsingskader naturalisatie
5. Naturalisatie is een officiële procedure waarbij een buitenlander de Nederlandse nationaliteit aanvraagt en verkrijgt, waardoor die persoon Nederlander wordt met alle bijbehorende rechten en plichten. Bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie zijn de bepalingen uit de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) van toepassing. Uit artikel 7 van de RWN, gelezen in samenhang met artikel 23 van de RWN, artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BvvN), volgt, voor zover van belang, dat bij de indiening van een naturalisatieverzoek in ieder geval gegevens moeten worden verstrekt over de volledige naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, het geboorteland en de nationaliteit. Uit artikel 31 vijfde lid van het BvvN volgt dat verlangd mag worden dat de documenten ter onderbouwing van deze gegevens gelegaliseerd en inhoudelijk geverifieerd zijn. Iemand die wil naturaliseren moet daarom in beginsel een gelegaliseerde geboorteakte en een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen. Het kan voorkomen dat iemand in bewijsnood verkeert om een gelegaliseerde geboorteakte en een geldig paspoort te overleggen. In paragraaf 3.5. van de toelichting op artikel 7 van de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap (Handleiding RWN) wordt hierover meer uitleg gegeven.
5.1.
Op 15 juni 2007 is de Ranov-regeling in werking getreden. Met ingang van 1 november 2021 is de verzoeker van een verzoek om naturalisatie, die in 2007 of 2008 een Ranov-verblijfsvergunning heeft gekregen en meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht, vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands paspoort (of anderszins een bewijs van het actuele bezit van een vreemde nationaliteit). Ook is deze persoon vrijgesteld van het overleggen van een (buitenlandse) geboorteakte/geboorteregistratiebewijs. De overige voorwaarden voor naturalisatie gelden nog steeds. Er mag geen gerede twijfel bestaan over de juistheid van de opgegeven identiteit en nationaliteit.
Bestaat er gerede twijfel aan eisers identiteit en nationaliteit?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte twijfelt aan de door hem opgegeven identiteit en nationaliteit. Zijn dossier biedt hier geen aanknopingspunten voor. Hij heeft consistent over zijn afkomst en herkomst verklaard. De minister heeft ten onrechte nooit grondig onderzoek verricht naar eisers verklaringen. In de asielprocedures is geen waarde aan zijn verklaringen gehecht omdat het toenmalige artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) werd toegepast. De minister heeft hem ook nooit een taalanalyse aangeboden om te onderbouwen dat hij uit Azerbeidzjan komt. De presentaties bij de Armeense en Azerbeidzjaanse ambassade zijn onzorgvuldig geweest. Met het voorhouden van twee foto’s door de Azerbeidzjaanse autoriteit van een gebied kan onmogelijk worden vastgesteld of iemand bekend is met dat gebied, terwijl ook niet duidelijk is of de foto’s wel van eisers geboorteplaats waren. Gelet op de houding van de Azerbeidzjaanse autoriteiten jegens Armeniërs mag de minister niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024 [4] waaruit volgt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer dient te gelden bij leeftijdsregistraties. Eiser meent dat dit ook moet gelden voor presentaties bij de ambassade aangezien hier ook geen Unierechtelijke regels voor bestaan. Daarnaast wijst eiser erop dat hij bij het verkrijgen van de Ranov-vergunning geen gebruik heeft gemaakt van de gekregen mogelijkheid om zijn identiteit te herstellen. Dit duidt er juist op dat hij nooit heeft gelogen over die identiteit. Anders had hij de gelegenheid wel gebruikt om dat te herstellen. Hij heeft ook gedaan wat hij kon om aan documenten te komen ter onderbouwing van zijn betoog dat hij geen Armeens, Azerbeidzjaans of Russisch staatsburger is of kan worden. Eiser verkeert in bewijsnood. Verder betrekt de minister de verklaringen van de ex-echtgenote van eiser in haar naturalisatieprocedure, over wat zij eerder in haar asielprocedure heeft verklaard en dat dit niet juist was, ten onrechte in de procedure van eiser.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank twijfelt de minister niet ten onrechte aan eisers identiteit en nationaliteit. De rechtbank stelt daarbij voorop dat onderhavige zaak een naturalisatieverzoek betreft. Op dit moment ligt daarom de vraag voor of er gerede twijfel bestaat aan de identiteit en nationaliteit van eiser. De minister kan daarbij verwijzen naar de overwegingen bij de afwijzingen van de asielaanvragen en het eerste naturalisatieverzoek. Niet in te zien valt waarom dat niet zou mogen. Daarbij heeft de minister ook niet zozeer verwezen naar de conclusies van die procedures maar naar de overwegingen die daaraan ten grondslag lagen. Dat maakt dat de vraag of de eerdere besluiten die naar destijds geldend recht zijn genomen, juist tot stand zijn gekomen, voor deze aanvraag niet relevant is. De rechtbank moet beoordelen of de minister zich op basis van alle nu beschikbare informatie op het standpunt mocht stellen dat gerede twijfel bestaat over de door eiser opgegeven identiteit en nationaliteit. De rechtbank gaat hieronder daarop in.
6.2.
In de eerste plaats heeft eiser nog altijd geen documenten overgelegd die zijn gestelde identiteit en nationaliteit, namelijk dat hij een etnisch Armeen is uit Azerbeidzjan, staven. Verder wijst de minister er terecht op dat uit de presentatie bij de Azerbeidzjaanse ambassade volgt dat niet wordt aangenomen dat eiser uit Azerbeidzjan komt, omdat hij geen Azerbeidzjaans spreekt en omdat hij de foto’s van het gebied waarvan eiser stelt er 18 jaar te hebben gewoond, niet herkende. Eiser heeft nog altijd niet onderbouwd dat het normaal is dan een etnische Armeen die in Azerbeidzjan zou zijn opgegroeid, in het geheel geen Azerbeidzjaans zou spreken. Dat er verder gegronde redenen zijn om aan de conclusie van de Azerbeidzjaanse ambassade te twijfelen heeft eiser ook nog altijd niet voldoende onderbouwd. De minister heeft dus voldoende gemotiveerd waarom hij uitgaat van de conclusies van de Azerbeidzjaanse autoriteiten. Dat deze een negatieve houding hebben jegens Armeniërs maakt dat niet anders. Aangezien het hier niet gaat om een enkele mededeling of registratie bij die autoriteiten, maar om een met argumenten onderbouwde conclusie, gaat de verwijzing naar de rechtspraak over het interstatelijk vertrouwensbeginsel ook niet op. Daarnaast is eiser bij de Armeense delegatie gepresenteerd. Zij hebben bij eiser de Armeense nationaliteit vastgesteld en aan hem een laissez-passer afgegeven. Gelet op alles wat wordt tegengeworpen bestaat er gerede en concrete twijfel aan eisers identiteit en nationaliteit en bestond er voor de minister, anders dan eiser betoogt, geen aanleiding om een taalanalyse uit te laten voeren.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank werpt de minister daarbij ook terecht tegen dat uit eisers dossier blijkt dat hij de gehele asielprocedure samen met zijn inmiddels ex-echtgenote heeft doorlopen. Zijn relaas hangt voor een belangrijk deel ook samen met de door hem gestelde Azerbeidzjaanse herkomst van zijn ex-echtgenote. De minister heeft bij de beoordeling van eisers naturalisatieverzoek daarom niet ten onrechte ook het dossier van zijn ex-echtgenote bestudeerd en bij de beoordeling van de aanvraag van eiser betrokken. Dat zijn ex-echtgenote inmiddels heeft erkend dat zij heeft gelogen over haar identiteit en nationaliteit mocht de minister dan ook betrekken in de integrale beoordeling en de vraag of sprake is van gerede twijfel over de identiteit van eiser zelf.
6.4.
Dat eiser tijdens de Ranov-procedure geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn identiteit te herstellen, maakt nog niet dat moet worden aangenomen dat de eerder opgegeven identiteit wel juist zal zijn. De minister heeft op de zitting terecht opgemerkt dat eiser meerdere (onbekende) redenen kan hebben om zijn identiteit verborgen te willen houden.
6.5.
Gelet op bovenstaande overwegingen oordeelt de rechtbank dat de minister een juiste beoordeling heeft gemaakt en niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat gerede en concrete twijfel bestaat aan de door eiser opgegeven identiteit en nationaliteit.
Daarom komt eiser geen beroep toe op het beleid over etnisch Armenen uit Azerbeidzjan, noch is sprake van bewijsnood.
6.6.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het naturalisatieverzoek in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer AWB 02/52382, niet gepubliceerd
2.Rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Zutphen van 10 november 2006, AWB 06/19119 en 06/19120.
3.Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 13 maart 2019, zaaknummers AWB 18/386 en 18/387.
4.ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4086.