Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10776

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
Nl26.21833
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15, vijfde lid, TerugkeerrichtlijnArt. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 96, derde lid, Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring en uitleg arrest Aroja

De minister heeft op 23 februari 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld en de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring getoetst.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 19 maart 2026 waarin de maatregel tot dat moment rechtmatig werd bevonden. De kern van het geschil betreft de uitleg van het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin is bepaald dat voor de berekening van de maximale termijn van zes maanden alle perioden van bewaring op grond van de Terugkeerrichtlijn moeten worden opgeteld. Perioden van bewaring op andere grondslagen, zoals de Opvangrichtlijn, tellen niet mee.

De rechtbank concludeert dat de maatregel op grond van artikel 59b Vw (Opvangrichtlijn) niet meetelt voor de maximale termijn en dat de bewaring op 23 februari 2026 nog niet onrechtmatig was. Verder oordeelt de rechtbank dat de gronden voor de maatregel standhouden, dat er geen zicht op uitzetting vereist is tijdens een asielprocedure en dat de minister niet verplicht is tot voortvarende handelingen in die fase.

De rechtbank wijst het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21833

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.A. Weststraten).

Procesverloop

De minister heeft op 23 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 maart 2026 (in de zaak NL26.11236) [1] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. Uit de voortgangsrapportage van de minister blijkt dat eiser op 9 september 2025 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring is gesteld. Op 10 februari 2026 hebben de Marokkaanse autoriteiten de nationaliteit van eiser bevestigd. Eisers uitzetting was gepland voor 24 februari 2026. Op 20 februari 2026 heeft eiser een asielaanvraag ingediend, waarna de vlucht voor eiser is geannuleerd en de grondslag van de maatregel op 23 februari 2026 is omgezet in die van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw.
Aroja
4. Eiser doet een beroep op het arrest Aroja [2] en stelt dat de minister uiterlijk op
8 maart 2026, namelijk zes maanden na 9 september 2025, een verlengingsbesluit zoals bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw had moeten nemen. Volgens eiser volgt uit het arrest namelijk dat zowel de periode waarin eiser op de grondslag van artikel 59 van Pro de Vw in bewaring zat als de periode waarin eiser op de grondslag van artikel 59b van de Vw in bewaring zit, moeten worden betrokken in het berekenen van de maximale termijn zoals bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn [3] . Nu de minister geen verlengingsbesluit heeft genomen, is de bewaring volgens eiser sinds 8 maart 2026 onrechtmatig.
5. Uit het arrest Aroja blijkt – kort samengevat – dat voor de berekening van de maximale termijn van zes maanden in de zin van artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn, alle perioden die een vreemdeling ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht bij elkaar moeten worden opgeteld. In overweging 58 van het arrest staat dat ook de periode waarin de uitvoering van het verwijderingsbesluit is geschorst wegens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, moet worden meegeteld. Het Hof van Justitie van de Europese Unie wijst daarbij op overwegingen 40, 47 en 48 van het arrest Kadzoev [4] . Uit het arrest Kadzoev blijkt dat wat in overweging 58 van het arrest Aroja staat slechts van toepassing is als de bewaringsmaatregel is gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn. De perioden van eventuele maatregelen van bewaring op een andere grondslag dan de Terugkeerrichtlijn tellen niet mee voor de berekening van de genoemde maximale termijn van zes maanden.
6. De minister heeft op 23 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw opgelegd. De grondslag van deze maatregel is de Opvangrichtlijn [5] . Dit betekent dat de periode waarin eiser op deze grondslag in bewaring is gesteld, niet meetelt voor de berekening van de maximale periode van zes maanden. Niet in geschil is dat op 23 februari 2026 nog niet de maximale termijn van zes maanden was overschreden. Er bestaat voor de rechtbank daarom geen aanleiding om te oordelen dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
7. Gelet op overwegingen 5. en 6. en op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 25 september 2025 [6] , waarin zij een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam met eenzelfde overweging heeft bevestigd [7] , bestaat er voor de rechtbank geen twijfel over het antwoord op de opgeworpen vraag. [8]
Bewaringsgronden, zicht op uitzetting, voortvarend handelen en lichter middel
8. Eiser voert verder - niet onderbouwd - aan dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen, dat er geen zicht is op uitzetting binnen afzienbare tijd, dat de minister niet voortvarend handelt en dat er ten onrechte geen lichter middel is opgelegd. Ook wijst eiser er op dat onduidelijk is wanneer het door hem ingestelde beroep en verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag op een zitting zullen worden behandeld.
9. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om anders te oordelen over de gronden waarop de maatregel berust dan zij in de uitspraak van 19 maart 2026 heeft gedaan. Hetzelfde geldt voor de beroepsgrond over een lichter middel. Verder blijkt uit jurisprudentie van de Afdeling [9] dat het zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor het opleggen van een maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. De minister is in het geval dat eiser nog als verzoeker in een asielprocedure is verwikkeld niet gehouden om voortvarende handelingen te verrichten ter voorbereiding van de uitzetting. De vrijheidsontneming is immers niet gericht op eisers terugkeer naar zijn land van herkomst.
9.1.
Verder overweegt de rechtbank dat inmiddels duidelijk is wanneer eisers beroep en verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag op zitting zal worden behandeld, namelijk op 28 mei 2026. De uiterste datum om eiser in vreemdelingenbewaring te houden eindigt op 6 juni 2026. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat de rechtbank niet tijdig uitspraak zal doen op eisers beroep, waardoor er geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Ambtshalve toets
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank is gehouden [10] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. De bewaring duurt inmiddels zeven maanden voort. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet de minister in zo’n geval een verzwaarde belangenafweging in de voortgangsrapportage opnemen, hetgeen de minister blijkens de voortgangsrapportage uitvoerig heeft gedaan.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (C-150/24).
3.Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2009, C-357-09 PPU (
5.RICHTLIJN 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.
7.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 10 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18687.
8.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243, (
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552.
10.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647.