Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10737

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
SGR 26/1659
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 8:85 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang in Ziektewet-uitkeringszaak

Verzoekster heeft een herhaald verzoek ingediend om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het UWV dat zij vanaf 2 april 2025 geen recht heeft op een Ziektewet-uitkering. Zij verzocht om een voorschot op de uitkering totdat in de bodemprocedure is beslist. De voorzieningenrechter stelt vast dat het eerdere verzoek reeds op 12 februari 2026 is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Verzoekster voert aan dat haar financiële situatie is verslechterd door oplopende schulden, verslechterende gezondheid en dreigende uithuiszetting, en dat zij zich op 2 maart 2026 opnieuw heeft ziekgemeld bij het UWV. Zij stelt dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie die een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de nieuwe stukken slechts een voortzetting van de betalingsachterstand aantonen en dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij geen recht heeft op een bijstandsuitkering, wat een reële optie is om het bestaansminimum te waarborgen. Er is geen sprake van een belangrijke wijziging van feiten of ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak.

Daarom ontbreekt het spoedeisend belang en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekster hoeft wegens betalingsonmacht het griffierecht niet te betalen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1659

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [woonplaats], verzoekster

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv
([gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de beslissing van 1 augustus 2025. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het Uwv heeft in het bestreden besluit het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Dat betekent dat de beslissing dat verzoekster vanaf 2 april 2025 geen recht heeft op een Ziektwet-uitkering is gehandhaafd. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.3.
Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter om het Uwv op te dragen een voorschot op de Ziektewet-uitkering uit te keren dan wel een andere passende uitkering te betalen totdat in de bodemprocedure is beslist. Verzoekster verzoekt ook een voorlopig voorschot uit te keren over de periode waarin verzoekster ten onrechte zonder uitkering is gelaten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoekster heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht voor het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit toe. Verzoekster hoeft wegens betalingsonmacht het griffierecht dus niet te betalen.
3. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat er sprake is van een herhaald verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft immers op 12 februari 2026 al een uitspraak gedaan (zaaknummer SGR 26/88). In die uitspraak is het verzoek om voorlopige voorziening hangende de beroepsprocedure tegen het bestreden besluit afgewezen, omdat er geen spoedeisend belang is.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat - zo volgt uit artikel 8:85 van Pro de Awb - de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel is bedoeld om te gelden tot de uitspraak in de bodemprocedure. Een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening kan daarom slechts voor toewijzing in aanmerking komen, indien verzoekster een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden die toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval indien sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. Dit blijkt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. [1]
5. In deze zaak gaat het enkel om de vraag of er spoedeisend belang is. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
6. Verzoekster voert aan dat zij geen inkomen en geen toegang tot zorg heeft, en dat zij kampt met oplopende schulden, een verslechterende gezondheid, dreigende uithuiszetting en volledige betalingsonmacht. Zonder financiële compensatie dreigt onomkeerbare schade. Volgens verzoekster is er sprake van nieuwe relevante feiten en omstandigheden, omdat verzoekster zich op 2 maart 2026 opnieuw bij het Uwv heeft ziekgemeld, en omdat inmiddels sprake is van volledige betalingsonmacht. De beperkte financiële ondersteuningen en leningen waarmee verzoekster het afgelopen jaar haar bestaansminimum nog kon waarborgen zijn uitgeput. In verband met de arbeidsongeschiktheid is ook een bijstandsuitkering geen passende oplossing. Daarmee is er geen andere voorziening beschikbaar om het bestaansminimum van verzoekster te waarborgen. Dit wijst op een acute financiële noodsituatie.
7. Volgens het Uwv is niet gebleken van een acute financiële noodsituatie waaruit onverwijlde spoed blijkt. Verzoekster heeft dit niet onderbouwd met stukken. Ook blijkt niet dat verzoekster inmiddels een bijstandsaanvraag heeft gedaan, wat de aangewezen route is om een minimaal noodzakelijk inkomen te waarborgen.
8. De voorzieningenrechter overweegt dat niet is gebleken van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van 12 februari 2026. Verzoekster heeft dit ook niet aangevoerd.
8.1.
Verzoekster heeft stukken overgelegd betreffende haar financiële situatie. Zes van de acht e-mails heeft verzoekster reeds overgelegd in de eerdere voorlopige voorziening met zaaknummer SGR 26/88. In de uitspraak van 12 februari 2026 oordeelde de voorzieningenrechter dat op basis van deze stukken niet kon worden vastgesteld dat verzoekster zich in een financiële noodsituatie bevindt. Nieuw zijn enkel de e-mails van 16 februari 2026 en 5 maart 2025, waaruit blijkt dat verzoekster ook op die datums de huur niet had voldaan. Deze stukken wijzen enkel op een voortzetting van de betalingsachterstand van verzoekster, en dus niet op een belangrijke wijziging van relevante feiten en omstandigheden.
8.2.
Verzoekster heeft verder geen stukken overgelegd ter onderbouwing van een nieuwe relevante wijziging in haar betalingsonmacht. Dat verzoekster een nieuwe ziekmelding bij het Uwv heeft gedaan acht de voorzieningenrechter ook niet relevant om een acute financiële noodsituatie vast te stellen. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij geen recht op een bijstandsuitkering heeft. De mogelijkheid om een bijstandsuitkering aan te vragen is relevant voor de beoordeling van een acute financiële noodsituatie, omdat het een reële optie kan zijn om het bestaansminimum te waarborgen. Dat verzoekster een bijstandsuitkering niet passend acht omdat het geschil haar aanspraak op werknemersverzekeringen betreft, brengt hier op zichzelf geen verandering in.
9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dus geen sprake van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. Dat betekent dat er nog steeds geen sprake is van een acute financiële noodsituatie, en dat er dus geen spoedeisend belang is. De verzoeken kunnen daarom niet toegewezen worden.

Conclusie en gevolgen

10. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141.