ECLI:NL:RBDHA:2026:1063

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
NL25.58071
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EU HandvestArt. 4 EU HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 19 ProcedurerichtlijnArt. 20 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland onder Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag van 28 augustus 2025 niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld en beoordeelt of het niet in behandeling nemen terecht is. Eiser betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet mag worden toegepast vanwege gebrekkige opvangvoorzieningen in Duitsland, risico op indirect refoulement en het ontbreken van kosteloze rechtsbijstand.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mede gelet op recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De aangevoerde rapporten en persoonlijke omstandigheden van eiser geven geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening wordt verworpen omdat geen bijzondere individuele omstandigheden zijn gesteld.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58071

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en

de minister van Asiel en Migratie

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 24 november 2025. De minister heeft in dit besluit bepaald de asielaanvraag van eiser van 28 augustus 2025 niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek geaccepteerd.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel5. Eiser betoogt dat de minister voor Duitsland niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens hem zijn de opvangvoorzieningen in Duitsland gebrekkig en voldoen deze niet aan de Opvangrichtlijn. [3] Hierdoor loopt hij het risico om in een situatie terecht te komen die in strijd is artikel 4 van Pro het EU Handvest. Ter onderbouwing verwijst eiser naar verschillende AIDA-rapporten, waaruit blijkt dat de voorzieningen in Duitse opvangcentra niet voldoen aan de basisbehoeften, er een gebrek aan privacy is, dat sprake is van incidenten en aanvallen op asielzoekerscentra en op individuele asielzoekers of vluchtelingen en dat haatmisdrijven tegen asielzoekers zijn toegenomen. [4] Eiser werd niet geholpen in Duitsland toen hij werd lastiggevallen en gechanteerd. Hij heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie, maar de politie heeft na de aangifte geen verdere actie ondernomen. Ook wijst eiser erop dat hij in Duitsland geen recht heeft op gratis rechtsbijstand. Tot slot stelt eiser dat terugzending naar Duitsland zal leiden tot indirect refoulement: de kans is groot dat hij bij terugkeer in Duitsland zal worden teruggestuurd naar Tunesië waar hij vreest voor de Tunesische autoriteiten.
5.1.
Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor de verzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die de verzoeker heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. [5] Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest te leiden. [6] Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten. [7]
5.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 [8] geoordeeld dat voor Duitsland nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Dit is bevestigd in de uitspraak van 11 september 2024 [9] en 14 februari 2025. [10] De Afdeling heeft in die laatste uitspraak geoordeeld dat het AIDA-rapport over Duitsland (update 2022) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van Dublinclaimanten in Duitsland dan volgt uit eerdere rapporten die in eerdere uitspraken zijn betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich op goede gronden op het standpunt dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om van deze jurisprudentie af te wijken.. Eiser heeft niet gesteld en aannemelijk gemaakt dat uit de aangehaalde rapporten blijkt dat sprake is van een (relevante) verslechtering van de omstandigheden in Duitsland ten opzichte van de situatie die al door de Afdeling is beoordeeld. De rapporten geven de rechtbank dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel.
5.3.
Uit de eerdere ervaringen van eiser in Duitsland volgt niet dat hij in de opvangvoorzieningen in Duitsland een reëel risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en/of 4 van het EU Handvest. Eiser heeft het feit dat hij is lastiggevallen, gechanteerd en dat hij hiervan aangifte heeft gedaan, niet met nadere stukken onderbouwd. Als eiser toch problemen ondervindt, mag op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dit heeft gedaan of dat dit voor hem niet mogelijk of zinloos zal zijn. Verder hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling nemen en hierbij rekening houden met de Europese richtlijnen.
5.4.
De rechtbank oordeelt verder de omstandigheid dat er geen kosteloze rechtsbijstand wordt verleend niet leidt tot de conclusie dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen. Uit artikel 19 en Pro verder van de Procedurerichtlijn volgt niet dat iedere vreemdeling onvoorwaardelijk recht heeft op kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging in asielprocedures, zowel in eerste aanleg als in beroepsprocedures. Ook biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn lidstaten expliciet de mogelijkheid om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft. Het door Duitsland gehanteerde systeem dat een vreemdeling recht heeft op kosteloze bijstand indien door de rechter wordt beoordeeld dat het beroep een kans van slagen heeft, is dus in overeenstemming met de Procedurerichtlijn. De beoordeling wordt gedaan door een rechter en niet door de Duitse autoriteiten. Voor zover eiser stelt dat hem ten onrechte kosteloze rechtsbijstand zal worden onthouden, moet dit worden ingebracht en beoordeeld in Duitsland bij de (hogere) autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, eventueel zonder kosteloze rechtsbijstand, niet zou kunnen klagen.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening6. Eiser voert aan dat de minister eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling moet nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De individuele, bijzondere omstandigheden maken namelijk dat het vasthouden aan de Dublinprocedure getuigt van onevenredige hardheid.
6.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Bij deze bevoegdheid heeft de minister veel beslissingsruimte. Daarom kan de rechtbank alleen terughoudend toetsen of de minister goed heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval niet van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden.
Non-refoulement7. De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat – kort gezegd – een rechter bij een overdrachtsbesluit niet mag toetsen of indirect refoulement aannemelijk is wanneer deze rechter niet vaststelt dat er in de aangezochte lidstaat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. [11] Nu de minister heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, zal de rechtbank daarom niet op deze beroepsgrond ingaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten.
4.AIDA Country Report: Germany (update 2021), p. 112 en 116, AIDA Country Report: Germany (update 2022), p. 131 en 133, AIDA Country Report: Germany (update 2023), p. 151-155 en AIDA Country Report: Germany (update 2024), p. 181.
5.Dit toetsingskader volgt uit HvJ 29 februari 2024 (arrest X), ECLI:EU:C:2024:195, en Afdeling 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.
6.EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 (M.S.S. tegen België en Griekenland), overweging 263, en HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), punten 91-93.
7.HvJEU 21 december, N.S. e.a., ECLI:EU:C:2011:865 (arrest N.S.), punt 82.
11.Arrest van het HvJEU van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, punt 129 tot en met punt 152.