Eiseres diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER om bij haar echtgenoot, een Italiaans staatsburger, te verblijven. De minister stelde een onderzoek in naar een mogelijk schijnhuwelijk en wees de aanvraag af op basis van tegenstrijdige verklaringen en andere indicatoren. Eiseres betwistte de rechtmatigheid van het onderzoek en voerde aan dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor een schijnhuwelijk.
De rechtbank beoordeelde de wettelijke kaders rond schijnhuwelijken en de bewijslast die bij de minister ligt. De minister moest een overtuigend dossier samenstellen op basis van meerdere individuele indicatoren. De rechtbank vond dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de gehanteerde indicatoren, zoals het moment van aanvraag, woonsituatie, leeftijdsverschil en illegaal verblijf, een gegrond vermoeden van misbruik vormden.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was en vernietigde het besluit. De minister kreeg zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.