Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Overwegingen
“Omdat betrokkene 180 dagen in bewaring heeft gezeten, is er een verlengingsbesluit nodig:Verlengingsbesluit:De cumulatieve bewaringsduur op grond van het thans geldige terugkeerbesluit maakt dat de duur van zes maanden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef onder a Vw is verstreken. Daarom is deze maatregel eveneens aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden op grond van artikel 59, zesde lid, Vw, dan wel zoveel korter indien een deel van de verlengingstermijn inmiddels is verbruikt.De bewaring van de vreemdeling en voortzetting van de bewaringsduur is noodzakelijk omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering. Zie ter onderbouwing daarvan de in deze maatregel opgenomen toelichting van het risico op onderduiken, het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is”.
De rechtbank begrijpt uit het standpunt van de minister in de eerdergenoemde aanbiedingsbrief dat met de zinsnede
“Omdat betrokkene 180 dagen in bewaring heeft gezeten” is bedoeld aan te geven dat eiser meer dan 180 dagen in bewaring heeft gezeten.
.De rechtbank merkt op dat, gelet op dit standpunt van de minister, de opgelegde maatregel vanaf 31 maart 2026 nog zes maanden mag voortduren. Ook indien zou worden uitgegaan van een eerste maatregel, zou 26 september 2026 op grond van artikel 59, vijfde lid, van de Vw de einddatum zijn van een (niet verlengde) maatregel als bedoeld in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiser niet in een andere materiële rechtspositie komt te verkeren, ongeacht of bij de maatregel van 31 maart 2026 zou worden uitgegaan van een eerste maatregel of van een verlengde maatregel. In beide gevallen duurt de maatregel tot 26 september 2026. Dit betekent dat eiser tijdens het gehoor voorafgaande aan de oplegging van de maatregel is gehoord over het voornemen om hem een maatregel op te leggen, die duurt tot uiterlijk 26 september 2026. Eiser is in voldoende mate in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze op deze voorgenomen maatregel te geven en is naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn belangen geschaad doordat hij niet expliciet is gehoord over het voornemen om deze maatregel te verlengen tot uiterlijk 26 september 2026.
Bewaringsgronden
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.