In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn asielaanvraag van 18 oktober 2023. Eerder had de rechtbank Utrecht de minister al een beslistermijn van zestien weken opgelegd, maar de minister heeft niet binnen deze termijn een besluit genomen.
De rechtbank Den Haag oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het overschrijden van de bovengrens van 21 maanden, legt de rechtbank een nieuwe, kortere beslistermijn van acht weken op, ingaande de dag na de bekendmaking van deze uitspraak.
De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. Daarnaast moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden, vastgesteld op €233,50 vanwege de beperkte omvang van de werkzaamheden bij een opvolgend beroep.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiser krijgt hiermee gelijk en de minister wordt verplicht alsnog binnen de gestelde termijn een besluit te nemen op de asielaanvraag.