ECLI:NL:RBDHA:2026:10356
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek asielzoeker met onbekende bestemming
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag op 29 april 2026 uitspraak gedaan over het beroep van een asielzoeker tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister had geoordeeld dat Kroatië verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep buiten zitting behandeld en eerst beoordeeld of er sprake was van procesbelang. De minister deelde mee dat de asielzoeker met onbekende bestemming was vertrokken, en de gemachtigde van de eiser reageerde niet op het verzoek om te bevestigen of er nog contact was.
Gezien deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat de eiser geen prijs meer stelde op de bescherming in Nederland, hetgeen volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betekent dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de asielzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang door vertrek met onbekende bestemming.