Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10355

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
NL26.14200
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 8:57 AwbArt. 30, eerste lid Vreemdelingenwet 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk volgens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep beoordeeld zonder zitting, aangezien de minister geen zitting wenste en eiser niet reageerde op het verzoek daartoe. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft vertrouwd op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat inhoudt dat Nederland mag aannemen dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt.

Eiser stelde dat hij in Frankrijk op straat zou komen te staan en geen effectieve bescherming zou krijgen, wat volgens hem in strijd is met artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank vond echter dat eiser deze stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat er geen objectieve aanwijzingen zijn dat Frankrijk structureel tekortschiet in de opvang of asielprocedure.

De verwijzing van eiser naar een uitspraak over België werd niet gevolgd, omdat de situatie in Frankrijk niet gelijk is gesteld en eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14200

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. G. Palanciyan),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft partijen bij bericht van 25 maart 2026 verzocht om aan te geven of een zitting gewenst is. De minister heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van een zitting. Eiser heeft op dit bericht niet gereageerd, zodat de rechtbank uitspraak doet zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?
4. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Frankrijk nog kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser voert aan dat in Frankrijk de leefomstandigheden waaraan hij zal worden blootgesteld en de kwaliteit van de asielprocedure in strijd zijn met artikel 3 van Pro het EVRM. Hij wijst ter toelichting hiervan op de omstandigheid dat hij in Frankrijk naar eigen zeggen op straat zal moeten leven, omdat Frankrijk hem geen opvangplek ter beschikking zal stellen en deze ook niet zal kunnen afdwingen door middel van gerechtelijke procedures. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 juli 2025. [3]
4.1.
In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat de minister er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen (internationale verplichtingen). Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat de minister uit eigen beweging ook rekening moet houden met relevante en objectieve informatie over Frankrijk. Hij mag een vreemdeling niet overdragen als hij niet onkundig kan zijn van de omstandigheid dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen zijn waardoor een vreemdeling een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. [4]
4.2.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich ten aanzien van Frankrijk kunnen beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister wijst er terecht op dat Frankrijk met het claimakkoord heeft toegezegd eiser te zullen terugnemen en hem te behandelen in overeenstemming met de op Frankrijk rustende internationale verplichtingen. Dat eisers asielaanvraag naar eigen zeggen is afgewezen in Frankrijk, en dat Frankrijk hem zal willen terugsturen naar Sierra Leone maakt dat niet anders. Eiser heeft zijn betoog dat hij in Frankrijk op straat zal belanden verder niet onderbouwd. Zoals blijkt uit rechtspraak van de Afdeling over de situatie van dublinterugkeerders in Frankrijk kan nog steeds worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [5] Voor zover eiser in Frankrijk toch met schendingen te maken krijgt van de op dat land rustende internationale verplichtingen, is niet gebleken dat eiser daarover slechts zeer moeilijk of niet (effectief) kan klagen bij de autoriteiten. De rechtbank volgt tot slot niet de verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, nu deze uitspraak gaat over België. Eisers betoog dat de situatie in België gelijk is aan die in Frankrijk heeft hij niet onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van eisers aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit kan op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.HvJ 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, arrest X.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.