Eiser, van Somalische nationaliteit, vroeg een Chavez-verblijfsvergunning aan om afgeleid verblijfsrecht te verkrijgen via zijn Nederlandse kinderen. De minister wees de aanvraag af op grond van onvoldoende aannemelijkheid van identiteit, familierechtelijke relatie, daadwerkelijke zorgtaken en afhankelijkheidsverhouding.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser zijn identiteit en familieband met zijn kinderen niet aannemelijk heeft gemaakt. Diverse instanties erkennen eisers vaderschap, en DNA-onderzoek, hoewel niet door een geaccrediteerd bedrijf, bevestigt dit. Het eisen van een geaccrediteerde DNA-test wordt als onnodig formalistisch beschouwd.
Voorts heeft de minister onvoldoende onderbouwd waarom er geen afhankelijkheidsverhouding zou bestaan tussen eiser en zijn kinderen. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie waarin samenwoning en daadwerkelijke zorg een vermoeden van afhankelijkheid scheppen. Ook het ontbreken van gezag weegt niet doorslaggevend.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt de minister binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de motivering moet worden verbeterd. Tevens veroordeelt zij de minister in de proceskosten van eiser.