Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 25 december 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de ophouding onrechtmatig was omdat de minister zijn identiteit kende en dat de informatieplicht niet was nageleefd. De rechtbank oordeelde dat de ophouding terecht was gebaseerd op artikel 50, tweede lid, Vw, omdat eiser geen identiteitsdocument had.
De rechtbank stelde vast dat de minister de informatieplicht uit artikel 5.3 Vb had nageleefd, mede doordat een Arabische vertaling van de informatiefolder aanwezig was en eiser voorafgaand aan de maatregel in het bijzijn van een tolk werd geïnformeerd. De gronden voor de maatregel, waaronder het risico op ontduiking van toezicht en het belemmeren van uitzetting, werden niet betwist en waren voldoende gemotiveerd.
Eiser stelde dat er geen zicht was op uitzetting naar Marokko omdat een eerder laissez-passer traject was mislukt en geen nieuw traject was gestart. De rechtbank oordeelde dat de minister voortvarend handelde door regelmatig vertrekgesprekken te voeren en dat van eiser mag worden verwacht dat hij actief meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.