Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10231

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL24.44375
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit vreemdelingenrecht na herstel belangenafweging familie- en gezinsleven

De rechtbank Den Haag heeft op 17 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over een besluit van de minister van Asiel en Migratie betreffende het familie- en gezinsleven van een vreemdeling. Na een eerdere tussenuitspraak waarin een gebrek in de belangenafweging werd vastgesteld, heeft verweerder het besluit hersteld door een nieuwe belangenafweging te maken.

De rechtbank toetst of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en of de belangenafweging een 'fair balance' vormt tussen het belang van het familie- en gezinsleven en het Nederlands algemeen belang. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht minder gewicht heeft toegekend aan het gezinsleven, mede omdat eiseres en referente sinds 2014 niet meer samenwonen en onvoldoende bewijs is geleverd van regelmatige emotionele en financiële steun.

Verder acht de rechtbank het terecht dat verweerder het inkomen van referente heeft meegewogen op basis van objectieve Suwinet-gegevens en dat verweerder aannemelijk acht dat eiseres mogelijk ten laste zal komen van de openbare kas. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunten over banden met Senegal en Nederland, maar oordeelt dat de belangenafweging in zijn geheel een fair balance is.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand omdat het gebrek is hersteld. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand na herstel van het gebrek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44375
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Inleiding

1. Met een tussenuitspraak van 6 januari 2026 [1] heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak. De rechtbank doet nu een einduitspraak na de tussenuitspraak.

Procesverloop

2.1.
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
2.2.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, vastgesteld dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente en dus van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [2] . De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om een belangenafweging te maken.
2.3.
Verweerder heeft op 14 januari 2026 een aanvullend besluit genomen. Verweerder heeft in dit aanvullende besluit een belangenafweging gemaakt en deze in het nadeel van eiseres laten uitvallen.
2.4.
Eiseres heeft op 11 februari 2026 gereageerd op het aanvullende besluit.
2.5.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen.
3.2.
Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen. [3] De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen. [4]
3.3.
Eiseres voert aan dat verweerder zwaarder gewicht had moeten toekennen aan het gezinsleven dat zij heeft met referente, omdat het gezinsleven al is ontstaan in het land van herkomst en dit niet is verbroken. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Verweerder heeft voor wat betreft de intensiteit van het gezinsleven meegenomen dat eiseres en referente sinds de vlucht van referente uit Guinee, eind 2014, al niet meer samenwonen. De rechtbank kan de motivering van verweerder met betrekking tot dit punt volgen en het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder zwaarder gewicht had moeten toekennen aan het gezinsleven tussen eiseres en referente.
3.4.
Eiseres voert aan dat verweerder in het kader van het economisch belang had moeten meewegen dat referente inmiddels meer verdiend dan het normbedrag. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder waarde mogen hechten aan de gegevens uit Suwinet. Dit betreft namelijk objectieve gegevens, die duidelijkheid verschaffen over het inkomen van referente en daarmee over de vraag of het inkomen van referente zelfstandig, voldoende en duurzaam is. De rechtbank stelt vast dat verweerder, gelet op deze gegevens, terecht in het nadeel van eiseres heeft gewogen dat referente de afgelopen zes maanden drie maanden onder het normbedrag heeft verdiend.
3.5.
De rechtbank volgt eiseres verder niet in haar standpunt dat het onzorgvuldig is van verweerder om de inkomensgegevens van referente te raadplegen in Suwinet, zonder referente eerst zelf te verzoeken om daarover aanvullende stukken te overleggen. Het had namelijk op de weg van referente gelegen om al eerder stukken te overleggen die onderbouwen dat zij de verantwoordelijkheid kan dragen voor de kosten van het levensonderhoud van eiseres. De rechtbank ziet ook niet in waarom referente deze stukken niet heeft overgelegd bij haar reactie op het aanvullende besluit van verweerder na de tussenuitspraak. De rechtbank merkt daarbij nogmaals op dat de gegevens in Suwinet objectieve gegevens zijn en dat verweerder, ook zonder een tegenreactie van referente, uit mocht gaan van de juistheid van deze gegevens.
3.6.
Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft meegewogen dat zij niet ten laste zal komen van de openbare kas en dat zij beperkt gebruik zal maken van de infrastructuur. Eiseres zal namelijk de zorg voor de kinderen van referente op zich nemen, geen onderwijs volgen en voornamelijk bij referente thuis verblijven. De rechtbank begrijpt allereerst dat het voor minder kosten voor de Nederlandse Staat kan zorgen als eiseres referente in Nederland helpt met de zorg voor haar drie kinderen. De rechtbank kan echter volgen dat verweerder wel in het nadeel van eiseres heeft meegewogen dat het aannemelijk is dat eiseres – mede gelet op haar leeftijd – ten laste zal komen van de openbare kas en dat eiseres mogelijk een beroep zal doen op de uit algemene middelen gefinancierde faciliteiten.
3.7.
Eiseres voert aan dat verweerder niet heeft kunnen stellen dat niet is aangetoond dat sprake is van emotionele en praktische steun, nu de rechtbank in de tussenuitspraak heeft vastgesteld dat tussen eiseres en referente sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De rechtbank overweegt hiertoe allereerst dat zij in de tussenuitspraak inderdaad heeft vastgesteld dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente. De rechtbank heeft deze vaststelling – kort samengevat – gebaseerd op de sterke wederzijdse emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en referente, de ondersteuning op afstand van referente aan eiseres, de omstandigheid dat eiseres geen sociale contacten en kennissen heeft in Guinee en de omstandigheid dat eiseres en referente lange tijd met elkaar hebben samengewoond. De belangenafweging is echter een andere beoordeling, waarbij, zoals in 3.2 ook reeds gesteld, een ‘fair balance’ moet worden gemaakt tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De rechtbank kan – enigszins terughoudend toetsend – begrijpen dat verweerder in het kader van de belangenafweging minder waarde heeft gehecht aan de emotionele en praktische steun, omdat eiseres en referente dit onvoldoende hebben aangetoond. Eiseres en referente hebben geen bewijsstukken overgelegd waaruit hun contact blijkt. Ten aanzien van de financiële afhankelijkheid hebben eiseres en referente een drietal overschrijvingsbewijzen overgelegd, die dateren uit 2021. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze stukken terecht niet overtuigend genoeg gevonden om te kunnen spreken van financiële steun. Uit die stukken volgt namelijk niet dat sprake is van regelmatige overmakingen en daarbij zijn de stukken niet goed leesbaar. Eiseres heeft verder geen nadere stukken overgelegd waaruit het contact tussen haar en referente blijkt of waaruit de financiële steun overtuigend blijkt.
3.8.
Eiseres voert aan dat onvoldoende aannemelijk is dat eiseres inmiddels banden heeft met Senegal, zoals de rechtbank in overweging 4.5 van de tussenuitspraak ook heeft overwogen. De rechtbank overweegt als volgt. In overweging 4.5 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen:
‘Op de zitting heeft referente verder toegelicht dat zij eiseres op afstand ondersteunt, door vanuit Nederland bijvoorbeeld te regelen dat eiseres naar een arts wordt gebracht of met een taxi kan gaan. Volgens referente is zij de enige die dat (op afstand) kan doen, omdat eiseres in Senegal geen vrienden of kennissen heeft die haar kunnen ondersteunen en eiseres met niemand kan communiceren in Senegal aangezien zij geen Frans spreekt. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ook sprake is van een praktische afhankelijkheid – weliswaar op afstand – tussen referente en eiseres. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat eiseres inmiddels banden heeft opgebouwd in Senegal.’
Verweerder heeft in het aanvullende besluit gesteld dat er voor referente geen objectieve belemmering is om haar moeder in Senegal te bezoeken en dat referente met haar kinderen al op bezoek is geweest in Senegal. Verweerder heeft gesteld dat het aannemelijk is dat eiseres inmiddels banden met Senegal is aangegaan. De rechtbank volgt eiseres in haar standpunt dat deze stelling van verweerder niet in lijn is met de vaststelling in de tussenuitspraak dat het onvoldoende aannemelijk is dat eiseres inmiddels banden heeft opgebouwd met Senegal. Het gaat echter, zoals in overweging 3.7 ook is vastgesteld, nu om de belangenafweging. De rechtbank kan volgen dat verweerder in de belangenafweging heeft meegewogen dat er geen objectieve belemmering is voor referente om eiseres in Senegal te bezoeken.
3.9.
Eiseres voert aan dat verweerder had moeten meenemen dat eiseres ook enige binding heeft met Nederland, omdat haar familieleden in Nederland wonen. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Verweerder heeft in het aanvullende besluit gesteld dat de omstandigheid dat referente in Nederland woonachtig is, onvoldoende is om te concluderen dat eiseres banden heeft met Nederland. Verweerder heeft echter in het voordeel van eiseres meegewogen dat referente een zekere binding heeft met Nederland. De rechtbank stelt vast dat daaruit volgt dat verweerder in de belangenafweging wel in het voordeel van eiseres heeft meegewogen dat familieleden van eiseres in Nederland wonen. De rechtbank kan verder volgen dat verweerder de omstandigheid dat referente in Nederland woonachtig is, onvoldoende heeft geacht om te concluderen dat eiseres banden heeft met Nederland.
3.10.
Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat er minder waarde wordt gehecht aan de objectieve belemmering voor referente om in het land van herkomst te wonen, omdat de objectieve belemmering niet voor eiseres geldt. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat uit het aanvullende besluit niet duidelijk volgt waarom verweerder minder waarde heeft gehecht aan de objectieve belemmering, omdat de belemmering niet voor eiseres geldt. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, de belangenafweging een ‘fair balance’ is tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van eiseres in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De rechtbank ziet daarom geen reden om gevolgen te verbinden aan dit punt.

Conclusie en gevolgen

4.1.
Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek voldoende hersteld. Verweerder heeft alle feiten en omstandigheden betrokken in de belangenafweging en heeft de belangen op navolgbare wijze in de belangenafweging betrokken. De gemaakte belangenafweging is in zijn algemeenheid een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
4.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor een reactie op de aanvullende motivering, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.De oorspronkelijke uitspraakdatum was 11 december 2025, maar deze uitspraak is vervangen door de hersteluitspraak van 6 januari 2026.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2