Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10208

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL25.52809
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a VwArt. 18 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 3.106a VbVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard wegens status in Italië en gezinsleven niet geschonden

Eiseres, een Somalische vrouw geboren in 1994, diende op 7 mei 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac bleek dat zij eerder in Italië internationale bescherming heeft gekregen, geldig tot 25 mei 2027. De Nederlandse minister verklaarde haar aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat het redelijk is dat zij terugkeert naar Italië.

Eiseres voerde aan dat de opvangvoorzieningen in Italië tekortschieten en dat haar minderjarige zoon, die de Nederlandse nationaliteit bezit en medische problemen heeft, niet adequaat verzorgd kan worden in Italië. Ook stelde zij dat het vertrek naar Italië zonder toestemming van de vader van haar zoon een inbreuk vormt op het familie- en gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Italiaanse autoriteiten haar niet kunnen of willen helpen en dat er geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid die materiële deprivatie veroorzaakt. De aanwezigheid van haar Nederlandse kind vormt geen belemmering voor de terugkeer. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard wegens geldige bescherming in Italië.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52809

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Procesverloop

Met een besluit van 23 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde, tolk [persoon] en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1994 en heeft de Somalische nationaliteit. Op 7 mei 2023 heeft zij een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres eerder in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op 23 juni 2023 verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. [1] Op 4 juli 2023 hebben de Italiaanse autoriteiten dit verzoek afgewezen, omdat eiseres daar een vluchtelingenstatus heeft gekregen die geldig is tot 25 mei 2027. Daarop is eiseres opgenomen in de nationale procedure.
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. [2] Verweerder stelt dat eiseres een zodanige band met Italië heeft dat het redelijk is voor eiseres om daarheen te gaan. Terugkeer leidt niet tot schending van artikel 3 van Pro het EVRM. [3] Eiseres maakt ook geen aanspraak op verblijfsrecht op grond van het [arrest 1] . [4] De belangen van de minderjarige zoon van eiseres, die de Nederlandse nationaliteit heeft, worden volgens verweerder niet geschonden.
4. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in Italië. Klagen hierover brengt in de praktijk geen oplossing. De verwachting dat eiseres als statushouder in Italië haar rechten kan effectueren is dan ook onhoudbaar. Bovendien is sprake van bijzondere kwetsbaarheid omdat de zoon van eiseres medische problemen heeft. Eiseres legt stukken over ter onderbouwing van de medische problematiek. Verder stelt eiseres dat verweerder had moeten onderzoeken of terugkeer naar Italië ertoe leidt dat haar zoon niet in Nederland kan blijven, omdat hij afhankelijk is van de dagelijkse verzorging door zijn moeder. Tot slot stelt eiseres dat de vader van haar zoon geen toestemming geeft voor zijn vertrek naar Italië. Het scheiden van haar zoon van een van zijn ouders vormt een inbreuk op het door artikel 8 van Pro het EVRM beschermde familie- en gezinsleven.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Verweerder kan een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw als een vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb [5] bepaalt dat de aanvraag slechts niet-ontvankelijk wordt verklaard als de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Eiseres geniet tot 25 mei 2027 internationale bescherming in Italië. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling [6] dat alleen al om die reden is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb. [7]
6. Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Italië voor statushouders mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt ook uit jurisprudentie van de Afdeling. [8] Uit het [arrest 2] [9] volgt echter dat bijzondere kwetsbaarheid van een individuele statushouder ertoe kan leiden dat hij bij terugkeer naar de lidstaat waar hij een asielvergunning heeft gekregen, zal terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en die kwetsbaarheid negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Deze toestand moet bovendien zijn veroorzaakt door onverschilligheid van de autoriteiten van het land die de status heeft verleend en geheel buiten de schuld van de vreemdeling liggen.
7. Uit de verklaringen van eiseres blijkt dat zij van 2017 tot 2020 in Italië heeft gewerkt en huisvesting had. In 2020 kwam zij op straat terecht, waarna zij onderdak heeft gekregen bij een kerkelijke organisatie en bij bekenden. Niet gebleken is dat eiseres de hulp heeft ingeroepen van de Italiaanse autoriteiten om weer huisvesting te krijgen. Van eiseres mag verwacht worden dat zij voldoende inspanningen verricht om haar rechten te effectueren of dat zij hulp inroept van de Italiaanse autoriteiten indien dit niet lukt. Eiseres heeft dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Italiaanse autoriteiten haar niet willen of kunnen helpen. Daarnaast zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het [arrest 2] . Het feit dat de zoon van eiseres medische problemen heeft is daartoe onvoldoende, alleen al omdat niet gebleken is dat hij hiervoor in Italië niet behandeld kan of zal worden.
8. Aan de wens van eiseres om bij haar kind dat de Nederlandse nationaliteit heeft in Nederland te verblijven komt geen betekenis toe bij de toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en artikel 3.106a van het Vb. De aanwezigheid van familieleden staat namelijk niet aan in de weg aan het niet-ontvankelijk verklaren van een asielaanvraag wegens verleende internationale bescherming in een andere lidstaat. [10] Verwijzing naar het arrest in de zaak [arrest 1] kan eiseres ook niet helpen, omdat het bestreden besluit er niet toe leidt dat eiseres of haar zoon het grondgebied van de Europese Unie moet verlaten.
9. Tot slot heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat in deze procedure geen ambtshalve beoordeling hoeft plaats te vinden over de vraag of eiseres op grond van haar gezinsleven aanspraak maakt op verblijfsrecht. Pas bij de inhoudelijke behandeling van een asielaanvraag is de toets aan artikel 8 van Pro het EVRM aan de orde. [11] Ten overvloede wordt hierbij opgemerkt dat geen sprake is van een inbreuk op het gezinsleven van eiseres en haar zoon, omdat zij allebei vrij kunnen reizen binnen de Europese Unie. Ook is geen sprake van een inbreuk op het gezinsleven van eiseres met haar moeder en haar andere minderjarige kind, zoals zij ter zitting wel heeft gesteld, omdat moeder en ander kind geen vastgesteld verblijfsrecht in Nederland hebben.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
5.Vreemdelingenbesluit 2000.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1388.
9.Arrest van het HvJEU van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219.
10.Arrest van het HvJEU van 22 februari 2022, ECLI:EU:C:2022:103.
11.Afdeling 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:122.