Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 9 januari 2026 waarin de minister werd opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen. Omdat de minister deze termijn heeft overschreden, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
De rechtbank overweegt dat een ingebrekestelling in dit geval niet vereist is vanwege de uitdrukkelijke en verstreken termijn uit de eerdere uitspraak. De rechtbank stelt een nieuwe beslistermijn van acht weken vast, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en de overschrijding van de wettelijke 21-maandentermijn.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag vertraging met een maximum van € 15.000,-, die pas ingaat nadat een eerdere dwangsom volledig is verbeurd. De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,- wegens inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.W. van Eerden op 28 april 2026.