Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 6 december 2024 waarin de minister werd opgedragen binnen zestien weken te beslissen. Omdat de minister deze termijn heeft overschreden, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
De rechtbank overweegt dat een ingebrekestelling in dit geval niet vereist is vanwege de uitdrukkelijke en inmiddels verstreken beslistermijn. Gelet op het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en de overschrijding van de wettelijke 21-maandentermijn, legt de rechtbank een nieuwe beslistermijn van acht weken op. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- opgelegd voor het geval de minister opnieuw niet tijdig beslist.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.W. van Eerden en is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.