In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld over het niet tijdig beslissen door het UWV op een bezwaar tegen het stopzetten van een WIA-uitkering per 1 september 2025. De eiser, de staatssecretaris van Defensie, had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV, maar het UWV had niet binnen de wettelijke termijn van negen weken een beslissing genomen.
De rechtbank stelde vast dat het UWV de beslistermijn had overschreden en dat er geen besluit was genomen ondanks een ingebrekestelling. Het UWV gaf aan dat het tekort aan verzekeringsartsen de oorzaak was van de vertraging. De rechtbank oordeelde dat dit een bijzonder geval is zoals bedoeld in artikel 8:55d lid 3 Awb, waarbij een medische beoordeling door een verzekeringsarts noodzakelijk is.
De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin een termijn van negen weken werd vastgesteld waarbinnen het UWV de medische beoordeling moet verrichten en een besluit moet nemen. Het UWV kon niet aangeven wanneer de medische beoordeling zou plaatsvinden, waardoor de rechtbank het UWV opdroeg binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de medische beoordeling te laten verrichten en binnen drie weken daarna een besluit te nemen.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de beslistermijn nog overschrijdt. Het betaalde griffierecht van €397 werd aan de eiser vergoed. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is openbaar.