In deze bestuursrechtelijke procedure heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 4 februari 2024. In een eerdere uitspraak had de rechtbank een beslistermijn van twaalf weken opgelegd aan de minister, ingaande na 4 augustus 2025, met een dwangsom van €100 per dag tot een maximum van €7.500.
De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit genomen, waarna eiser een tweede beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat dit beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van acht weken op, ingaande de dag na de bekendmaking van deze uitspraak, en stelt een dwangsom van €100 per dag vast met een maximum van €15.000.
De rechtbank baseert zich op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het zogenaamde '8+8 wekenmodel', waarbij bij overschrijding van de bovengrens van 21 maanden een kortere beslistermijn passend is. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €233,50, rekening houdend met een wegingsfactor van 0,25 vanwege de beperkte omvang van het tweede beroep.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. De minister wordt opgedragen binnen acht weken alsnog een besluit te nemen, onder dreiging van de opgelegde dwangsom.