Eiser, een ontvanger van een WIA-uitkering, verzocht op 28 augustus 2025 om herbeoordeling van zijn recht op deze uitkering. Nadat het UWV niet binnen de wettelijke termijn van negen weken had beslist, stelde eiser het UWV in gebreke en diende op 13 februari 2026 beroep in wegens het uitblijven van een beslissing.
De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat ondanks een dwangsombeslissing van 5 februari 2026 nog geen besluit is genomen. Gezien het structurele tekort aan verzekeringsartsen en de noodzaak van medisch advies acht de rechtbank dit een bijzonder geval, waardoor een termijn van negen weken na verzending van de uitspraak geldt voor het nemen van een besluit.
De rechtbank wijst het verzoek van het UWV af om een langere beslistermijn toe te passen zoals gehanteerd door de rechtbank Rotterdam. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiser.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.