In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn asielaanvraag van 11 september 2023. Eerder had de rechtbank een beslistermijn van zes weken opgelegd, maar de minister heeft niet binnen deze termijn een besluit genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. Gelet op het overschrijden van de bovengrens van 21 maanden en het recente nader gehoor op 30 oktober 2024, legt de rechtbank een nieuwe beslistermijn van vier weken op, ingaande de dag na bekendmaking van deze uitspraak.
Daarnaast wordt een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- opgelegd om de minister te stimuleren tijdig te beslissen. De rechtbank acht deze dwangsom redelijk en ziet geen aanleiding tot verhoging ondanks eerdere niet-naleving.
Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 233,50, rekening houdend met een lagere wegingsfactor vanwege de aard van het opvolgend beroep.