ECLI:NL:RBDHA:2025:9792

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
4 juni 2025
Zaaknummer
NL25.21170
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 5.3 Vb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring en schadeverzoek vreemdeling

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was inmiddels opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging onrechtmatig was en of schadevergoeding moest worden toegekend.

Eiser stelde dat de informatieplicht van artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 niet was nageleefd, omdat de folder onjuist vermeldde dat beroep alleen via een advocaat kon worden ingesteld. Eiser verwees naar eerdere uitspraken waarin een termijn was gegeven om de folder aan te passen. De rechtbank oordeelde echter dat de verstrekte informatie voldeed aan de informatieplicht, aangezien het gangbare praktijk is dat een advocaat wordt ingeschakeld, maar dit sluit niet uit dat een vreemdeling ook zelf beroep kan instellen.

De rechtbank achtte het niet aannemelijk dat de voorlichting vreemdelingen weerhoudt zelf beroep in te stellen. Verder vond de rechtbank geen grond om te concluderen dat de maatregel onrechtmatig was opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21170

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 5 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 19 mei 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M. Blaauw, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Heeft verweerder voldaan aan de informatieplicht?
2. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de informatieplicht van artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). In de aan eiser uitgereikte (in het Arabisch opgestelde) folder staat vermeld dat indien eiser in beroep wil gaan tegen de maatregel van bewaring, hij dit met zijn advocaat dient te bespreken. Deze formulering is echter onjuist, omdat beroep niet enkel na overleg met de advocaat kan worden ingesteld, maar ook zonder diens tussenkomst mogelijk is. Eiser verwijst in dit verband ook naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 18 februari 2025. [1] Hoewel de belangenafweging in die uitspraak in het voordeel van verweerder uitviel, betoogt eiser dat verweerder sinds de uitspraak reeds drie maanden de tijd heeft gehad om de folder aan te passen maar dit kennelijk heeft nagelaten. Ook wijst eiser op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juli 2024, [2] waarin de Afdeling verweerder een termijn van zes maanden heeft gegeven om zijn werkwijze zodanig aan te passen dat aan de informatieplicht van artikel 5.3 van het Vb wordt voldaan en dat deze termijn ruimschoots is verstreken. De belangenafweging dient nu dan ook in het voordeel van eiser uit te vallen.
3. De rechtbank overweegt het volgende. Artikel 5.3 van het Vb bepaalt dat eiser bij het opleggen van de maatregel op de hoogte moet worden gebracht van de redenen van bewaring en van de in het nationale recht vastgestelde procedures om het bevel tot bewaring aan te vechten, alsook van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand te vragen. Niet in geschil is dat in de informatiefolder staat vermeld dat eiser in beroep kan gaan tegen de maatregel van bewaring en dat hij dit met zijn advocaat dient te bespreken.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldaan aan de informatieplicht van artikel 5.3 van het Vb. De rechtbank is van oordeel dat de verstrekte informatie recht doet aan de gangbare praktijk, waarbij voor een inbewaringstelling doorgaans een advocaat wordt ingeschakeld om rechtsbijstand te verlenen. Dat ontneemt de vreemdeling niet de mogelijkheid om in persoon beroep in te stellen, eventueel nadat de advocaat heeft toegelicht dat het voor de vreemdeling mogelijk is om zelf een beroepschrift in te dienen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat een in bewaring gestelde vreemdeling die zonder advocaat beroep wil instellen, daarvan door de door verweerder verstrekte voorlichting wordt weerhouden. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat niet is voldaan aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel. [3]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Zwolle) 18 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2549.
2.ABRvS 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.