ECLI:NL:RBDHA:2025:9208
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens onderduiken door asielzoeker
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 10 juni 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning in Nederland. Omdat hij eerder een asielaanvraag in Kroatië had ingediend, werd Kroatië als verantwoordelijke lidstaat aangewezen onder de Dublinverordening. De minister diende een claimverzoek in en ontving op 18 juli 2024 een acceptatie van Kroatië. De overdrachtstermijn van zes maanden werd verlengd met achttien maanden omdat eiser ondergedoken was.
De rechtbank stelde vast dat eiser op 13 januari 2025 niet aanwezig was op de opvanglocatie en geen melding had gemaakt van zijn verblijfplaats, ondanks dat hij op 11 december 2024 was geïnformeerd over zijn meldplicht en de overdrachtsprocedure. Hierdoor kon de geplande overdracht op 17 januari 2025 niet doorgaan en werd de overdrachtstermijn verlengd.
Eiser voerde aan niet te zijn geïnformeerd over de overdracht en dat hij zich had gemeld bij het COA, maar de rechtbank verwierp deze stellingen. Gelet op de jurisprudentie is sprake van onderduiken wanneer een vreemdeling doelbewust buiten bereik van de autoriteiten blijft zonder melding van verblijfplaats.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht de overdrachtstermijn heeft verlengd wegens onderduiken en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verlenging van de overdrachtstermijn wegens onderduiken.