ECLI:NL:RBDHA:2025:9050

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
NL25.14757
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 19 ProcedurerichtlijnArt. 20 ProcedurerichtlijnArt. 21 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op 8 mei 2025, waarbij eiser niet is verschenen. De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt ten aanzien van Zwitserland en dat de minister terecht heeft vastgesteld dat Zwitserland verantwoordelijk is. De stellingen van eiser over het ontbreken van kosteloze rechtsbijstand en medische problemen zijn onvoldoende om het vertrouwensbeginsel te doorbreken.

Voorts is het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat overdracht aan Zwitserland onevenredige hardheid zou opleveren vanwege de maatschappelijke bijdrage van eiser, niet gegrond. De minister hoefde dit niet toe te passen omdat persoonlijke omstandigheden reeds zijn betrokken bij de beoordeling van het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. De uitspraak is gedaan door rechter Steinebach - de Wit en griffier El-Amrani.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14757

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B. Anik),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening. Op 18 februari 2025 zijn de autoriteiten van Zwitserland hiermee akkoord gegaan.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser betoogt dat Zwitserland niet aan zijn internationale verplichtingen voldoet. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen reëel risico op een behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest zal lopen bij overdracht. [2] Eiser heeft namelijk geen rechtsbijstand verkregen, waardoor hij niet kon opkomen tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag in Zwitserland ondanks dat hij op grond van de Procedurerichtlijn recht heeft op kosteloze rechtsbijstand. [3] Eiser heeft geen mogelijkheid gehad om hierover te klagen aangezien hij onder medische behandeling stond. De medische problemen van eiser zijn niet serieus genomen door de Zwitserse autoriteiten, aangezien de autoriteiten hem meteen wilde uitzetten naar Turkije terwijl hij nog niet uitbehandeld was.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland. [4] In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Wat betreft de stelling van eiser dat hij kosteloze rechtsbijstand had moeten krijgen in Zwitserland, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat deze omstandigheid niet betekent dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De minister verwijst hierbij naar de artikelen 19, 20 en 21 van de Procedurerichtlijn. In deze artikelen staat dat gratis rechtsbijstand mogelijk moet zijn in de beroepsprocedure, waarbij door de lidstaten de voorwaarde opgelegd kan worden dat dit alleen aangeboden wordt aan mensen die onvoldoende middelen van bestaan hebben. [5] Daarnaast kunnen lidstaten bepalen dat juridische bijstand niet aangeboden wordt als het beroep geen reële kans van slagen heeft. [6] De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat, als eiser na overdracht problemen ondervindt van welke aard dan ook, het op zijn weg ligt om hierover te klagen bij de (hogere) Zwitserse autoriteiten. Niet gebleken is dat zij eiser niet willen of kunnen helpen of dat klagen bij voorbaat zinloos is. Met betrekking tot het betoog dat eiser meteen zal worden uitgezet naar Turkije, wordt geoordeeld dat de autoriteiten van Zwitserland middels het claimakkoord hebben gegarandeerd zijn asielverzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Eiser voert aan dat overdracht aan Zwitserland in het geval van eiser zou getuigen van een onevenredige hardheid en de minister daarom toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser is namelijk werkzaam in de ijzerhandel, waardoor hij nuttig kan zijn in de Nederlandse maatschappij. Dit had door de minister aangemerkt moeten worden als een bijzondere individuele omstandigheid. Eiser stelt verder dat de minister ambtshalve zou moeten toetsen aan paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft niet ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister trekt een asielaanvraag onverplicht aan zich onder andere als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht aan de andere lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. [7] Dat eiser werkzaam is in de ijzerhandel is niet ten onrechte niet aangemerkt als een bijzondere, individuele omstandigheid, waardoor de minister de asielaanvraag van eiser aan zich moest trekken. Hierbij merkt de rechtbank op dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet bedoeld is om een werkvergunning te verkrijgen. De eerdergenoemde persoonlijke ervaringen in Zwitserland zijn al door de minister in de besluitvorming betrokken bij de beoordeling of nog mag worden uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister hoeft dezelfde persoonlijke ervaringen in dat geval niet nogmaals te toetsen in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [8]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister gelijk heeft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Eiser verwijst naar: HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
3.Eiser verwijst naar artikel 19 en Pro 20 van de Procedurerichtlijn.
4.Zie ABRvS 24 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:265.
5.Dat staat in artikel 21, tweede lid, van de Procedurerichtlijn.
6.Dit staat in artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn. Zie ook: ABRvS 4 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1878 en ABRvS 2 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1334.
7.Dat staat in artikel 17 van Pro de Dublinverordening, nader ingevuld in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
8.ABRvS 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164 en ABRvS 25 februari 2025,