ECLI:NL:RBDHA:2025:9005
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijderingsmaatregel EU-onderdaan met zwervend bestaan en geen rechtmatig verblijf
Eiser, een Poolse EU-onderdaan, werd door de minister van Asiel en Migratie een verwijderingsmaatregel opgelegd wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland. De minister stelde vast dat eiser sinds oktober 2020 een zwervend bestaan leidt en geen reële arbeid verricht sinds december 2023. Eiser betwistte dit en voerde aan dat de verwijderingsmaatregel onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd, met name over de wijze waarop hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende heeft toegelicht welke elementen van belang zijn bij het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf, verwijzend naar de openbare werkinstructie WI 2023/3 en het arrest F.S. De rechtbank verwierp de stelling van eiser dat WI 2023/3 niet op dakloze Unieburgers van toepassing zou zijn, en benadrukte dat de toets casuïstisch is en afhankelijk van de omstandigheden bij terugkeer.
Daarnaast wees de rechtbank erop dat eiser ook rechtmatig verblijf kan verkrijgen door te voldoen aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit, waardoor het verwijderingsbesluit niet meer van kracht zou zijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het verwijderingsbesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.