ECLI:NL:RBDHA:2025:8985
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding
Eiser, van Senegalese nationaliteit, vroeg op 30 april 2024 een visum kort verblijf aan voor familiebezoek in Nederland van 24 juni tot 22 juli 2024. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 14 mei 2024 af wegens redelijke twijfel over tijdige terugkeer naar Senegal, gebaseerd op onvoldoende sociale en economische binding.
Eiser voerde aan dat hij voldoende sociale binding heeft omdat zijn moeder en zus in Senegal wonen en hij een belangrijke rol in het gezin vervult. Ook stelde hij economische binding te hebben via een baan als automechanicus sinds 2019, met loonstroken en een retourticket als bewijs. De minister vond deze onderbouwing onvoldoende, mede omdat loonstroken pas na het besluit werden ingediend en niet op de relevante periode zagen.
Verder voerde eiser aan dat de minister ten onrechte afzag van een hoorzitting in de bezwaarfase, maar de rechtbank oordeelde dat dit gelet op de omstandigheden en de motivering van het besluit gerechtvaardigd was.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht oordeelde dat eiser onvoldoende binding met Senegal heeft om tijdige terugkeer te waarborgen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding.