ECLI:NL:RBDHA:2025:8948
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming
De rechtbank Den Haag behandelde op 20 mei 2025 het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 26 maart 2025, waarbij de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Tijdens de zitting was de gemachtigde van de minister aanwezig, maar eiser en zijn gemachtigde verschenen niet. De minister informeerde de rechtbank dat eiser op 14 april 2025 met onbekende bestemming was vertrokken en zich niet had gemeld bij relevante instanties. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer te hebben met zijn cliënt en verzocht om de zaak op de stukken af te doen.
De rechtbank overwoog dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het vertrek van een vreemdeling met onbekende bestemming zonder contact te onderhouden met de minister impliceert dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Nu eiser geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde en zijn verblijfplaats onbekend is, oordeelde de rechtbank dat eiser geen procesbelang meer heeft.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen dit vonnis kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.