ECLI:NL:RBDHA:2025:8761
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen verwijderingsmaatregel Unieburger zonder rechtmatig verblijf
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiser, een Poolse Unieburger zonder rechtmatig verblijf in Nederland, tegen een verwijderingsmaatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De minister stelde vast dat eiser geen reële arbeid verricht, geen eigen middelen heeft en geen daadwerkelijke integratie in Nederland toont, waarna een vertrektermijn van een maand werd opgelegd.
Eiser betoogt dat de verwijderingsmaatregel niet voldoet aan de vereisten van artikelen 15 en 30 van de Verblijfsrichtlijn, onder meer omdat de informatievoorziening ontoereikend zou zijn en de Werkinstructie 2023/3 niet toepasbaar is op dakloze personen zoals hij. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder voldoende heeft geïnformeerd over het beëindigen van het verblijf en dat de werkinstructie correct is toegepast, ook gelet op het arrest F.S. van het HvJ EU.
De rechtbank benadrukt dat het beoordelen van daadwerkelijke en effectieve beëindiging van verblijf casuïstisch is en afhankelijk van omstandigheden na vertrek uit Nederland. De belangenafweging door verweerder is zorgvuldig gemaakt en het beroep wordt ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep is afgerond. Proceskosten worden niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de verwijderingsmaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.