Eiser diende op 28 januari 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 19 februari 2025 af als kennelijk ongegrond. De rechtbank nodigde partijen uit voor een zitting op 10 april 2025, maar de minister meldde dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde van eiser bevestigde geen contact meer te hebben met eiser.
De rechtbank overwoog dat vertrek met onbekende bestemming kan betekenen dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland, waardoor hij geen procesbelang meer heeft. Omdat de gemachtigde geen contact meer had en er geen concrete aanwijzingen waren dat eiser nog belang had, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
De rechtbank beoordeelde het beroep niet inhoudelijk en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter Y. Yeniay - Cenik en griffier N. El-Amrani op 14 mei 2025. Partijen kunnen binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.