ECLI:NL:RBDHA:2025:8223
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Polen onder Dublinverordening
Opposant, met de Syrische nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister niet in behandeling werd genomen omdat Polen verantwoordelijk werd geacht voor de aanvraag. De rechtbank had het beroep op 31 maart 2025 zonder zitting ongegrond verklaard, uitgaande van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen.
Opposant stelde dat hij in Polen slachtoffer was van pushbacks en mishandeling, en dat Polen een asielstop zou instellen, wat volgens hem aanleiding gaf om Nederland zijn asielaanvraag te laten behandelen. Hij voerde ook psychische klachten en onevenredige hardheid van overdracht aan Polen aan.
De rechtbank oordeelde dat deze stellingen onvoldoende waren onderbouwd en dat de minister de overdracht deugdelijk had gemotiveerd. Echter, in het verzet bracht opposant nieuwe, relevante en objectieve informatie naar voren over politieke ontwikkelingen in Polen en jurisprudentie die het interstatelijk vertrouwensbeginsel ter discussie stellen.
De rechtbank concludeert dat de zaak ten onrechte zonder zitting is afgedaan en dat de eerdere uitspraak komt te vervallen. Het onderzoek wordt hervat in de stand waarin het zich bevond. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van de proceskosten van opposant.
Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt hervat.