ECLI:NL:RBDHA:2025:8126
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over nieuw asielmotief en geloofwaardigheid in zaak Iraakse asielzoeker
Eiser, van Iraakse nationaliteit, verzocht in december 2020 om een verblijfsvergunning asiel. De minister wees dit in juni 2024 af. De rechtbank vernietigde eerder een besluit van de minister wegens onvoldoende beoordeling van relevante elementen en stelde de minister in de gelegenheid een nieuw besluit te nemen.
De rechtbank beoordeelt in deze tussenuitspraak de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de door eiser aangevoerde beroepsgronden. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht niet geloof hecht aan de stelling dat eiser problemen heeft met de Iraakse inlichtingendienst en de militie Asa’ib Ahl al-Haq (Al Asa’eb). De clanbemiddeling en het ontbreken van concrete onderbouwing spelen hierbij een rol. Ook acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser een reëel risico loopt op willekeurig geweld in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.
Eiser bracht in beroep een nieuw asielmotief naar voren, namelijk dat hij vanwege zijn langdurig verblijf in het Westen gevaar loopt bij terugkeer. De rechtbank oordeelt dat dit motief laat is ingebracht, maar dat het niet zodanig laat is dat het niet meer in de procedure kan worden betrokken. Daarom beveelt de rechtbank de minister een aanvullend besluit te nemen over dit nieuwe asielmotief binnen strikte termijnen.
De rechtbank houdt verdere beslissingen aan totdat het aanvullend besluit is genomen en stelt eiser in de gelegenheid daarop te reageren. De uitspraak is gedaan door rechter A.S.W. Kroon en griffier P.I. van der Meer.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de minister een aanvullend besluit te nemen over het nieuwe asielmotief en houdt verdere beslissing aan.