ECLI:NL:RBDHA:2025:8100

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2025
Publicatiedatum
9 mei 2025
Zaaknummer
NL25.13350
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-tijdig beslissen asielaanvraag na inwilliging

Eiser had beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder had de rechtbank bepaald dat de minister binnen acht weken na die uitspraak moest beslissen op de aanvraag.

De minister heeft op 19 maart 2025 de aanvraag ingewilligd. Eiser diende op 21 maart 2025 beroep in tegen het niet-tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat er op dat moment geen procesbelang meer was omdat de beslissing al genomen was.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.M. Mulder op 30 april 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister de aanvraag inmiddels heeft ingewilligd.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13350
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 oktober 2024.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen acht weken na verzending van die uitspraak moet beslissen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Bij besluit van 19 maart 2025 heeft de minister de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Eiser heeft op 21 maart 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3
3. Op 19 maart 2025 heeft de minister een beslissing genomen op de aanvraag. Er was daardoor op 21 maart 2025 geen procesbelang meer om een beroep tegen het niet-tijdig beslissen in te dienen. Het beroep is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van M.M. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 april 2025

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.