ECLI:NL:RBDHA:2025:8054

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
9 mei 2025
Zaaknummer
NL25.17508
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 96, derde lid, Vw 2000paragraaf A5/6.3. Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen verlenging maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting

De rechtbank Den Haag heeft op 2 mei 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende de voortzetting van een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was oorspronkelijk opgelegd op 3 maart 2025 en reeds eerder getoetst bij uitspraak van 17 maart 2025.

Eiser voerde aan dat de verlenging van de bewaring niet rechtsgeldig was omdat het besluit niet aan zijn bewaringsadvocaat was toegezonden en dat er geen zicht was op uitzetting binnen de verlengingsperiode. De rechtbank oordeelde dat het besluit tijdig en correct was bekendgemaakt aan de asieladvocaat van eiser, dat eiser op de hoogte moest zijn van het besluit en dat het niet toezenden aan de bewaringsadvocaat geen schending van zijn verdediging opleverde. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de bewaring niet gericht is op uitzetting maar op de behandeling van de asielprocedure.

De rechtbank concludeerde dat de verlenging van de maatregel rechtmatig was en dat er geen reden was om de maatregel op te heffen of te wijzigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17508

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is op 3 maart 2025 opgelegd.
De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 17 maart 2025. [1]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [2]
1.1.
Uit de uitspraak van 17 maart 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (11 maart 2025) rechtmatig is.
Is er sprake van een rechtsgeldige verlenging op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000?
2. Eiser betoogt dat geen sprake is van een rechtsgeldige verlenging van de bewaringsmaatregel, omdat de minister het besluit tot verlenging op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 niet aan zijn bewaringsadvocaat heeft toegezonden.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in de afwijzende asielbeschikking van 8 april 2025 de bewaring van eiser op grond van artikel 59b, derde lid van de Vw 2000 met ten hoogste drie maanden heeft verlengd. [3] De rechtbank stelt vast dat dit besluit tijdig en correct bekendgemaakt is aan de advocaat die eiser bijstaat in zijn asielprocedure, zodat eiser geacht moet worden op de hoogte te zijn van de inhoud van het besluit. Bovendien heeft eiser ook tijdig rechtsmiddelen ingesteld tegen dit besluit. Eiser heeft verder niet geconcretiseerd op grond waarvan de minister verplicht zou zijn dit besluit ook aan de bewaringsadvocaat toe te zenden. De rechtbank is van oordeel dat, nu eiser op elk gewenst moment een vervolgberoep kan instellen, door het niet toezenden van de afwijzende asielbeschikking aan de bewaringsadvocaat niet in zijn verdediging is geschaad. De rechtbank ziet niet in waarom eiser na ontvangst van het besluit van 8 april 2025, niet zelf, of via zijn asieladvocaat, zijn bewaringsadvocaat kan vragen beroep in te stellen tegen het voortduren van de bewaring. De rechtbank merkt op dat dit beroep overigens ook is ingesteld op 15 april 2025 en nu ter toetsing voorligt. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt het zicht op uitzetting op korte termijn?
3. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting op korte termijn ontbreekt. De behandeling van zijn beroep in de asielprocedure is gepland voor 3 juli 2025, waarna nog minimaal twee weken op de uitspraak gewacht dient te worden. Dit betekent dat eiser de komende drie maanden, de periode van zijn verlenging, niet zal worden uitgezet. Eiser betoogt dat daarom niet kan worden volgehouden dat de maatregel van bewaring zo kort mogelijk duurt zonder enig zicht op uitzetting.
3.1.
De rechtbank merkt allereerst op dat de maatregel van bewaring niet gericht is op uitzetting van eiser, maar op behandeling van zijn asielaanvraag of een eventuele gerechtelijke procedure tegen de afwijzing daarvan. De minister heeft op 28 april 2025 een verzoek ingediend om de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening naar voren te halen en op zitting heeft de minister toegelicht dat dit verzoek om voorrang is ingewilligd en de behandeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening nu op 15 mei 2025 gepland staat. De termijn van de verlenging van drie maanden is ten tijde van de behandeling op 15 mei 2025 nog niet verstreken. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 17 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4388.
2.Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
3.Op grond van paragraaf A5/6.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.