Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, diende op 20 juni 2022 een asielaanvraag in met als grond dat hij vanwege problemen en een aanval door de broers van zijn partner Pakistan had moeten verlaten. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag op 22 januari 2025 af wegens onvoldoende onderbouwing en ongeloofwaardigheid.
Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was en dat de geloofwaardigheidsbeoordeling niet voldeed aan de Kwalificatie- en Procedurerichtlijn. Tevens verzocht hij om aanhouding in afwachting van prejudiciële vragen van de zittingsplaats Roermond. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht had geconcludeerd dat eiser onvoldoende had meegewerkt en dat zijn verklaringen tegenstrijdig en summier waren.
De rechtbank vond dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom de verklaringen niet samenhangend waren en dat de aangeleverde documenten onvoldoende waren om het asielmotief te staven. De stellingen van eiser over bedreigingen en afkoop van aangifte werden als horen zeggen beoordeeld. De rechtbank volgde niet de stelling dat artikel 4 lid 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn van toepassing was.
De rechtbank zag geen aanleiding om het beroep aan te houden vanwege de prejudiciële vragen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Eiser werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.