Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de vraag of eiser terecht een verdragsbijdrage is opgelegd voor zijn echtgenote, die in de periode van 20 mei 2013 tot en met 14 oktober 2021 als meeverzekerd gezinslid stond ingeschreven bij verweerder. Verweerder heeft op 14 augustus 2023 het primaire besluit genomen dat de echtgenote meeverzekerd gezinslid was en dat eiser een verdragsbijdrage verschuldigd is over deze periode. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, dat op 7 februari 2024 is afgewezen. Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.
De kern van het geschil is of verweerder tijdig bekend kon zijn met het feit dat de echtgenote meeverzekerd gezinslid was en daarmee de bijdrage kon heffen. Eiser stelde dat de vordering verjaard is vanwege de vijfjarige verjaringstermijn en dat verweerder zich tot de ziektekostenverzekeraar (Knappschaft) had moeten wenden. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet eerder dan 23 juni 2023 bekend kon zijn met het feit dat de echtgenote meeverzekerd gezinslid was, zodat het opleggen van de bijdrage binnen de termijn van rechtszekerheid valt.
De rechtbank volgt de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat het niet aanvaardbaar is om meer dan vijf jaar na het moment van bekendheid een bijdrage te heffen. Omdat verweerder pas in 2023 hiervan op de hoogte was, is het beroep ongegrond en krijgt eiser geen gelijk. Het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan op 18 april 2025 door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag.