ECLI:NL:RBDHA:2025:786
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag en het verzoek tot terugname door Duitsland is aanvaard.
Eiser voerde aan dat artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening toepassing behoorde te vinden vanwege bijzondere, individuele omstandigheden. Hij stelde een duurzame relatie te hebben met een Nederlandse vrouw die zwanger is van hun eerste kind en dat hij zorgtaken verricht voor haar dochter uit een vorige relatie. Hij betoogde dat overdracht aan Duitsland een onevenredige hardheid zou betekenen.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een duurzame relatie en dat hij de vader is van het ongeboren kind. De overgelegde stukken, waaronder een ID-kaart, een patiëntbericht, foto's en WhatsApp-screenshots, zijn onvoldoende. Ook is onvoldoende aangetoond dat eiser zorgtaken verricht voor de dochter van zijn vriendin. De rechtbank volgt de minister in de uitleg dat de Dublinverordening niet bedoeld is als route voor regulier verblijf bij gezinsleden.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en blijft het besluit van de minister in stand. De uitspraak is gedaan door rechter R. Raat en griffier B. Göbel op 8 januari 2025.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.