ECLI:NL:RBDHA:2025:7772

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
7 mei 2025
Zaaknummer
NL25.16787
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-in behandeling neming asielaanvraag op grond van Dublinverordening Kroatië

Eiser, met Iraanse nationaliteit, diende op 30 januari 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling, hetgeen door Kroatië is geaccepteerd.

Eiser voerde aan dat hij in Kroatië negatieve ervaringen had, psychische problemen ondervond en dat het besluit in strijd was met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat Kroatië verantwoordelijk is en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt.

De rechtbank stelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met het EVRM of het Handvest. Ook zijn psychische klachten zijn onvoldoende onderbouwd en kunnen in Kroatië behandeld worden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16787

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en de Iraanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 30 januari 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. [1] Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 11 september 2024 al in Kroatië om internationale bescherming heeft verzocht. Nederland heeft op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening [2] de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 12 maart 2025 geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening, waarmee de verantwoordelijkheid van Kroatië vaststaat.
3. Eiser voert aan dat hij in Kroatië negatieve ervaringen heeft gehad waardoor zijn vertrouwen in de Kroatische autoriteiten is gedaald. Eiser stelt vanwege deze negatieve ervaringen psychische problemen te hebben en meent dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Tot slot stelt eiser dat het bestreden besluit in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel is genomen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Het is niet in geschil dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [3] Het is aan eiser om aan de hand van objectieve informatie aannemelijk te maken dat in het geval van Kroatië aanleiding bestaat om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Eiser is daarin niet geslaagd.
5. Met zijn verklaringen over wat eiser zelf in Kroatië heeft meegemaakt, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest [4] en artikel 3 van Pro het EVRM [5] strijdige behandeling. De negatieve ervaringen die eiser stelt zelf te hebben meegemaakt, hebben plaatsgevonden toen hij illegaal Kroatië was ingereisd. Eiser zal echter terugkeren als Dublinclaimant. Eiser heeft niet met landeninformatie onderbouwd dat Dublinclaimanten, die gereguleerd worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten, na overdracht aan Kroatië een risico lopen om in eenzelfde situatie terecht te komen als die welke eiser stelt eerder in Kroatië te hebben meegemaakt.
6. Kroatië garandeert met het claimakkoord van 12 maart 2025 eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Indien eiser vindt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. De enkele stelling dat eiser geen vertrouwen heeft in de Kroatische autoriteiten, is onvoldoende.
7. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, die maken dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft de gestelde psychische klachten niet onderbouwd. Voor de psychische klachten die eiser stelt te hebben, kan hij zich ook in Kroatië laten behandelen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Kroatië geen hulp zal kunnen krijgen. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat overdracht aan Kroatië zal leiden tot een achteruitgang van de psychische gesteldheid van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Tot slot wordt eiser niet in zijn standpunt gevolgd dat verweerder het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Deze beroepsgrond is niet nader onderbouwd. Verweerder is daarnaast in het bestreden besluit aan de hand van de beschikbare informatie voldoende ingegaan op alle omstandigheden die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid.
9. Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 1 mei 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van S.A. Sewratan, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.