ECLI:NL:RBDHA:2025:7372

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2025
Publicatiedatum
1 mei 2025
Zaaknummer
NL25.17932
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000ECLI:NL:RVS:2022:3269ECLI:NL:RVS:2023:3033ECLI:EU:C:2022:858
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring en zicht op uitzetting naar Marokko

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 28 februari 2025 door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot 12 maart 2025 getoetst en richt zich nu op de periode daarna.

De rechtbank overweegt dat er in het algemeen zicht is op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het concrete geval is de laissez passer-aanvraag van 18 februari 2025 nog in behandeling bij de Marokkaanse autoriteiten. Het uitblijven van een reactie na twee maanden betekent niet dat het zicht op uitzetting ontbreekt, aangezien het lp-traject doorgaans meerdere maanden duurt. Eiser heeft onvoldoende meegewerkt aan het uitzettingsproces, wat ook blijkt uit zijn verklaring tijdens het vertrekgesprek.

Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend handelt, zoals blijkt uit rappelleringen op 20 maart en 10 april 2025 en het vertrekgesprek op 2 april 2025. De rechtbank is ambtshalve gehouden de rechtmatigheid van de maatregel te toetsen en ziet geen grond om het voortduren onrechtmatig te achten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17932

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 28 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het vooronderzoek is gesloten op 24 april 2025.

Overwegingen

Inleiding
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 maart 2025 (in de zaak NL25.10579) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 12 maart 2025) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 12 maart 2025.
Zicht op uitzetting
2. Eiser voert aan dat er geen zich op uitzetting binnen een redelijke termijn is.
2.1.
De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269) en 8 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3033).
2.2.
Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het concrete geval van eiser overweegt de rechtbank als volgt. De op 18 februari 2025 voor eiser ingediende laissez passer (lp)-aanvraag is nog in behandeling bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat er tot op heden, na twee maanden, geen (positieve) reactie op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent, gelet op wat onder 2.1. is overwogen, niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat (in de te beoordelen periode) voldoende doet. Zo volgt uit het verslag van het vertrekgesprek van 2 april 2025 dat eiser heeft verklaard niets te hebben ondernomen, en ook niets zal ondernemen, om terugkeer naar Marokko te bespoedigen. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject, als hij wel zou meewerken, op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
3.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit het voortgangsrapport (de M120) blijkt dat verweerder, in de te toetsen periode, op 20 maart 2025 en 10 april 2025 op de lp-aanvraag van 18 februari 2025 heeft gerappelleerd. Daarnaast heeft er 2 april 2025 een vertrekgesprek plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan eisers uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.