ECLI:NL:RBDHA:2025:7327

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2025
Publicatiedatum
30 april 2025
Zaaknummer
25.6901
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 42 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingediend bezwaar tegen verlenging beslistermijn asielaanvraag

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar asielaanvraag van 23 oktober 2023. De minister had de beslistermijn wettelijk verlengd met negen maanden, waardoor de termijn voor een beslissing op haar aanvraag eindigde op 23 januari 2025.

Eiseres stelde de minister op 22 januari 2025 in gebreke en diende vervolgens beroep in bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat deze ingebrekestelling te vroeg was, aangezien de verlengde beslistermijn nog niet was verstreken, waardoor het beroep niet ontvankelijk was.

De rechtbank behandelde het beroep zonder zitting omdat partijen geen zitting wensten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier M.A. Postma en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk verklaard omdat het prematuur was ingediend vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6901

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
mede namens de minderjarige:

[naam],geboren op [geboortedatum],

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 23 oktober 2023.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk?
2. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na het ontvangen van de aanvraag beslissen. [2] De minister heeft de beslistermijn met negen maanden verlengd. [3] Eiseres heeft de minister gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [4] Vervolgens heeft eiseres beroep ingesteld. [5]
3. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat de minister de beslistermijn met inwerkingtreding van het WBV 2023/3, voor alle asielaanvragen ingediend tussen
1 januari 2023 en 1 januari 2024 rechtmatig heeft verlengd. [6] Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 23 oktober 2023. De beslistermijn eindigde in het geval van eiseres op
23 januari 2025.
4. Dat betekent dat de ingebrekestelling van 22 januari 2025 te vroeg en dus prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de voorwaarden voor een ontvankelijk beroep.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft de proceskosten niet aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
4.Artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a van de Awb.
5.Artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b van de Awb.