ECLI:NL:RBDHA:2025:6730
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf Pakistan wegens onvoldoende sociale en economische binding
Eiseres, een Pakistaanse vrouw, verzocht om een visum kort verblijf om haar nicht in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd afgewezen omdat verweerder twijfelde aan het doel van het verblijf en het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren naar Pakistan. Eiseres voerde aan dat zij sterke sociale banden heeft met Pakistan, waaronder haar drie minderjarige kinderen, en dat zij geen intentie heeft langer te blijven dan toegestaan.
De rechtbank oordeelde dat verweerder redelijkerwijs mocht concluderen dat eiseres onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan had aangetoond. De omgangsregeling en voogdij over haar kinderen waren niet onderbouwd met stukken, en de informele arbeid en geringe inkomsten werden niet als voldoende economische binding gezien. Het beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat inmiddels op het bezwaar was beslist.
De rechtbank bevestigde dat verweerder geen hoorzitting hoefde te organiseren omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De aanvraag werd terecht afgewezen en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor het niet tijdig beslissen. De uitspraak is definitief en hoger beroep is uitgesloten.
Uitkomst: Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de afwijzing van het visum is ongegrond verklaard.